<rss version="2.0">
  <channel>
    <title>Psychology</title>
    <link>https://thesis.eur.nl/col/3767/</link>
    <description>List of Publications</description>
    <language>en</language>
    <item>
      <title>De invloed van temporele en sociale vergelijkingen op het psychologisch welbevinden van verpleeghuisbewoners.</title>
      <link>https://thesis.eur.nl/pub/4056/</link>
      <pubDate>Mon, 18 Jun 2007 00:00:01 GMT</pubDate>
      <description>&lt;div&gt;Jong, M. 't&lt;/div&gt;
In deze studie wordt de invloed van temporele en sociale vergelijkingen op het psychologisch welbevinden van verpleeghuisbewoners onderzocht. Bij verpleeghuisbewoners (N = 114) werden opwaartse temporele vergelijkingen, neerwaartse temporele vergelijkingen, opwaartse sociale vergelijkingen, neerwaartse sociale vergelijkingen, zelfwaardering en depressie gemeten. Tevens werd het niveau van lichamelijk functioneren bepaald. De resultaten laten zien dat het niveau van lichamelijk functioneren niet gerelateerd is aan het psychologisch welbevinden (zelfwaardering en depressie). Het lijken daarentegen eerder de vergelijkingsmaten te zijn die verantwoordelijk zijn voor het welbevinden. De mate van zelfwaardering blijkt afhankelijk te zijn van opwaartse en neerwaartse temporele vergelijkingen. De mate van depressieve verschijnselen blijkt enerzijds afhankelijk te zijn van opwaartse sociale vergelijkingen en anderzijds van zowel opwaartse als neerwaartse temporele vergelijkingen. Theoretische en praktische implicaties van het onderzoek worden besproken.</description>
    </item>
    <item>
      <title>Het verhogen van de impliciete zelfwaardering van kinderen door middel van klassieke conditionering.</title>
      <link>https://thesis.eur.nl/pub/4063/</link>
      <pubDate>Mon, 18 Jun 2007 00:00:01 GMT</pubDate>
      <description>&lt;div&gt;Gräper, L.&lt;/div&gt;
Zelfwaardering speelt een essentiële rol bij de persoonlijke ontwikkeling en gezondheid van mensen. In het huidige onderzoek is door middel van een klassieke conditioneringstaak onderzocht of impliciete zelfwaardering bij kinderen verhoogd kan worden. Aan het onderzoek hebben 133 kinderen in de leeftijd van 9 tot 13 jaar deelgenomen. Zoals verwacht blijkt impliciete zelfwaardering in de experimentele groep significant hoger te zijn dan de impliciete zelfwaardering van de controle groep na afloop van de conditioneringstaak. Bovendien kan er geconcludeerd worden dat de conditioneringstaak invloed heeft op agressief gedrag. Kinderen uit de experimentele groep zijn na de conditioneringstaak significant minder agressief dan kinderen uit de controle groep. Er was echter geen relatie tussen impliciete zelfwaardering en agressie. Deze bevindingen kunnen wellicht van grote betekenis zijn voor interventieprogramma’s voor het verhogen van impliciete zelfwaardering.</description>
    </item>
    <item>
      <title>Distress en pijn bij zeer jonge kinderen: Invloed van het gedrag van de moeder op de pijnervaringen en distresservaringen van het kind in een acute pijnsituatie.</title>
      <link>https://thesis.eur.nl/pub/4049/</link>
      <pubDate>Mon, 18 Jun 2007 00:00:01 GMT</pubDate>
      <description>&lt;div&gt;Milosavljevic, M.&lt;/div&gt;
In deze masterscriptie staat de relatie centraal tussen het gedrag van de moeder en de pijnervaringen en distresservaringen van het kind binnen een acute pijnsituatie. Er zal ook gekeken worden naar de invloed van het geslacht van het kind op de distress- en pijnervaringen die het kind ervaart. De centrale vraagstelling luidt: welke invloed heeft het gedrag van de moeder op de pijnervaringen en distresservaringen van zeer jonge kinderen, in een acute pijnsituatie? Resultaten laten zien dat het gedrag van de moeder geen significant effect had op de pijnervaringen van het kind. Het gedrag van de moeder had wel een significant effect op de distresservaringen van het kind, te weten het vertonen van veel coping-bevorderend gedrag door de moeder zorgt ervoor dat het kind minder distress ervaart gedurende het bloedprikken. Er werd geen significante relatie gevonden tussen het geslacht van het kind en de distresservaringen en pijnervaringen van het kind.</description>
    </item>
    <item>
      <title>Empowerment door Management Development.</title>
      <link>https://thesis.eur.nl/pub/4054/</link>
      <pubDate>Mon, 18 Jun 2007 00:00:01 GMT</pubDate>
      <description>&lt;div&gt;Alblas, K.&lt;/div&gt;
101 managers uit diverse organisaties vulden een vragenlijst in die empowerment, het gedrag van de leidinggevende, betrokkenheid bij de organisatie, werktevredenheid, intentie om bij de organisatie te blijven en Management Development meet. Na analyse van de data bleek dat Management Development een positieve voorspeller is van empowerment. Het gedrag van de leidinggevende hangt ook samen met de mate van empowerment. Betrokkenheid blijkt te worden voorspeld door het gedrag van de leidinggevende. Ook bij de intentie om te blijven heeft het gedrag van de leidinggevende een voorspellende rol. Van werktevredenheid is echter&#13;
geen relatie met empowerment gevonden. Management Development blijkt wel een significante predictor van werktevredenheid. Een mediërende rol van empowerment&#13;
is niet gevonden. Management Development blijkt aldus in dit onderzoek een belangrijke voorspeller van empowerment. Dit onderzoek kan worden gezien als aanleiding tot verder onderzoek naar Management Development, zodat meer gerichte conclusies kunnen worden getrokken.</description>
    </item>
    <item>
      <title>Anhedonie: een kenmerk van depressie, schizofrenie of van beiden?</title>
      <link>https://thesis.eur.nl/pub/4059/</link>
      <pubDate>Mon, 18 Jun 2007 00:00:01 GMT</pubDate>
      <description>&lt;div&gt;Stam, L.&lt;/div&gt;
Anhedonie is het verlies of de vermindering van het vermogen tot plezierbeleving. Het is kenmerk wat bij verschillende vormen van psychopathologie voorkomt, maar het is toch vooral een kenmerk van depressie en schizofrenie.  Vanwege de onduidelijkheid bij welke stoornis anhedonie meer of in een ernstiger vorm voorkomt is een onderzoek uitgevoerd. Twintig patiënten met een depressie, 20 patiënten met schizofrenie en 20 gezonde controlepersonen werden onderzocht op anhedonie en depressieve kenmerken aan de hand van de Snaith-Hamilton Pleasure Scale (SHAPS) en de Beck Depression Inventory (BDI). Het bleek dat de depressieve groep de hoogste anhedonie-en depressiescores had, gevolgd door de schizofreniegroep en tot slot de gezonde controlegroep. Verschillen in de samenstelling van de groepen wat betreft leeftijd, geslacht, opnameduur en medicijngebruik waren niet van invloed op de resultaten. Deze informatie kan bruikbaar zijn bij behandeling of voorkoming. Een beperking van het onderzoek betrof de kleine steekproef, vervolgonderzoek is gewenst.</description>
    </item>
    <item>
      <title>Antisociale persoonlijkheidskenmerken van kinderen: Het verband met opvoedingsstijl, temperament, angst en depressie.</title>
      <link>https://thesis.eur.nl/pub/4062/</link>
      <pubDate>Mon, 18 Jun 2007 00:00:01 GMT</pubDate>
      <description>&lt;div&gt;Verhoeven, M.&lt;/div&gt;
Deze scriptie brengt verslag uit van een studie naar antisociale persoonlijkheidskenmerken van kinderen. Deze studie onderzocht of de opvoedingsstijl van ouders en het temperament van een kind van invloed zijn op antisociale persoonlijkheidskenmerken van kinderen. Ook probeerde deze studie te achterhalen of antisociale persoonlijkheidskenmerken van kinderen van invloed zijn op angst en depressie van kinderen.&#13;
Voor deze studie zijn 89 kinderen geworven in de leeftijdscategorie van 8 tot en met 12 jaar uit de algemene bevolking van Zuid-Holland. Deze kinderen hebben een opvoedingsvragenlijst, een angstvragenlijst en een depressie-vragenlijst ingevuld. Tevens hebben de moeders van deze kinderen een vragenlijst ingevuld die het temperament meet van hun kind en een vragenlijst die antisociale persoonlijkheidskenmerken van hun kind meet. &#13;
Uit de resultaten van deze studie blijkt dat de opvoedingsstijl emotionele warmte van zowel vader als moeder een significante voorspeller is van antisociale persoonlijkheidskenmerken van kinderen. Verder blijkt dat de temperamentsoort verlegenheid ook een significante voorspeller is van antisociale persoonlijkheidskenmerken van kinderen. Ten slotte blijkt dat antisociale persoonlijkheidskenmerken van kinderen geen significante voorspellers zijn van angst en depressie van kinderen.</description>
    </item>
    <item>
      <title>Differentiating between Entrepreneurs and Intrapreneurs: a Competency approach.</title>
      <link>https://thesis.eur.nl/pub/4041/</link>
      <pubDate>Mon, 18 Jun 2007 00:00:01 GMT</pubDate>
      <description>&lt;div&gt;Zwemstra, J.&lt;/div&gt;
Recently the contribution of entrepreneurship and intrapreneurship to economic&#13;
wealth and sustained job creation has received more emphasis. The number of startups&#13;
in the Netherlands has increased by 50%. Unfortunately, the majority of start-ups&#13;
are faced with failure within the first three to five years (Klein, 2002). Organizations&#13;
place high value on intrapreneurial employees who are innovative and responsible for&#13;
strategic renewal. Past studies on entrepreneurship have focused on identifying types&#13;
of entrepreneurship, while little is known about intrapreneurship. The aim of this&#13;
study is to construct an extensive typology on those competencies perceived as both&#13;
important and frequently used in the successful performance of the entrepreneurial&#13;
and intrapreneurial activities. A questionnaire assessing the importance and frequency&#13;
of the competencies was developed. Competency items were divided under seven&#13;
competency clusters. Kunkel’s Entrepreneurial Activities Typology (2001) was used&#13;
to differentiate between types of entrepreneurial and intrapreneurial activities.</description>
    </item>
    <item>
      <title>Is een dier dat poep eet enger? Evaluatieve conditionering bij kinderen.</title>
      <link>https://thesis.eur.nl/pub/4045/</link>
      <pubDate>Mon, 18 Jun 2007 00:00:01 GMT</pubDate>
      <description>&lt;div&gt;Kros, L.&lt;/div&gt;
Bij volwassenen is gebleken dat niet alleen het conditioneren met angstopwekkende stimuli maar ook het conditioneren met walgingsopwekkende stimuli kan resulteren in angst. In dit experiment werden kinderen blootgesteld aan dierenogen die gekoppeld werden aan een walgingsopwekkende stimulus (poep) of een positieve stimulus (ijs). De angst voor deze ogen werd gemeten voor en na deze koppeling. Vervolgens werden de ogen herhaaldelijk getoond zonder deze koppeling (extinctiefase). De ogen werden als enger beoordeeld na de koppeling aan poep en als minder eng na de koppeling aan ijs, al was dit effect vrij zwak. Dit evaluatieve conditioneringseffect verdween niet helemaal na de extinctiefase. Vervolgens is er gekeken of algemene angstigheid, neuroticisme of walgingsgevoeligheid dit conditioneringseffect konden voorspellen. Walgingsgevoeligheid bleek als enige variabele een voorspellende waarde te hebben. Deze bevindingen lijken te suggereren dat conditionering met walgingsopwekkende stimuli een rol lijkt te spelen bij het ontstaan van angst voor dieren bij kinderen.</description>
    </item>
    <item>
      <title>Morningness-Eveningness en de relatie met persoonlijkheid en affect.</title>
      <link>https://thesis.eur.nl/pub/4052/</link>
      <pubDate>Mon, 18 Jun 2007 00:00:01 GMT</pubDate>
      <description>&lt;div&gt;Broeren, S.&lt;/div&gt;
Deze studie onderzoekt de relatie tussen Morningness-Eveningness en de psychologische variabelen persoonlijkheid en affect. Tevens brengt deze studie de persoonlijkheids- en affect variabelen in kaart die een voorspellende waarde kunnen hebben voor M-E. Het onderzoek werd uitgevoerd onder 155 studenten die allen een pakket vragenlijsten invulden, bestaande uit drie persoonlijkheidsvragenlijsten, twee affectvragenlijsten en één M-E vragenlijst. Uit deze studie blijkt dat Eveningness geassocieerd is met de aan impulsiviteit gerelateerde persoonlijkheidstrekken BAS-Fun Seeking, Functionele en Disfunctionele Impulsiviteit, Extraversie en Psychoticisme. Morningness is in deze studie geassocieerd met Positief Affect. Functionele Impulsiviteit, Positief Affect, Extraversie en Psychoticisme spelen een rol bij het voorspellen van M-E. Positief Affect heeft een positieve voorspellende waarde voor M-E en voorspelt zodoende Morningness. De aan impulsiviteit gerelateerde persoonlijkheidsvariabelen Functionele Impulsiviteit, Extraversie en Psychoticisme hebben een negatieve voorspellende waarde voor M-E en voorspellen zodoende Eveningness.</description>
    </item>
    <item>
      <title>Heeft craving een medieërend effect op de relatie tussen impulsiviteit en agressie, bij cocaïne verslaafden?</title>
      <link>https://thesis.eur.nl/pub/4053/</link>
      <pubDate>Mon, 18 Jun 2007 00:00:01 GMT</pubDate>
      <description>&lt;div&gt;Subhani, S.&lt;/div&gt;
Inleiding: Er is bij adolescenten een positieve correlatie tussen cocaïnegebruik op lange termijn en verhoogde irritatie en agressie. Tevens is craving een prominent kenmerk van verslaving. Het medieërend effect van craving op de relatie tussen impulsiviteit en agressie is onderzocht, onder cocaïne verslaafden. &#13;
Methode: Veertig abstinente cocaïne verslaafden hebben deelgenomen aan het onderzoek. Craving werd gemeten door de OCDUS, impulsiviteit werd gemeten door de DII en agressie werd gemeten door de AVL. Eveneens werd de ASI afgenomen om de ernst van de verslaving in kaart te brengen. Veertig niet-verslaafden hebben deelgenomen aan het onderzoek als controle groep, om de mate van agressiviteit te meten ten opzichte van de cocaïne groep. De deelnemers hebben de impulsiviteit vragenlijst DII en de AVL ingevuld. &#13;
Resultaten: De individuen uit de cocaïne groep hebben een hogere totaal score op de disfunctionele impulsiviteitschaal en de agressie totaal score schaal. Regressie analyse suggereert, dat de relatie tussen impulsiviteit en agressie niet wordt gemediëerd door craving. &#13;
Conclusies: Individuen uit de cocaïne groep zijn agressievere en impulsiever dan individuen uit de controle groep. Het medieërend effect van craving op de relatie tussen impulsiviteit en agressie is niet gevonden. Een nieuw model komt naar voren waarin de persoonlijkheidstrek impulsiviteit een voorspellende waarde heeft op agressie en craving. Verder onderzoek is nodig om de invloed van craving en de persoonlijkheidstrek impulsiviteit te onderzoeken.</description>
    </item>
    <item>
      <title>De effectiviteit van de training ‘Coachend Leidinggeven’</title>
      <link>https://thesis.eur.nl/pub/4057/</link>
      <pubDate>Mon, 18 Jun 2007 00:00:01 GMT</pubDate>
      <description>&lt;div&gt;Westerduin, M.&lt;/div&gt;
Huidig onderzoek meet de effectiviteit van de training ‘Coachend Leidinggeven’ bij deelnemers van de training. Er wordt verwacht dat de deelnemers meer gebruik maken van de stijl coachend leiderschap door de training en minder gebruik maken van andere stijlen van leiderschap, zoals passief, autocratisch en transactioneel leiderschap. Er wordt tevens verwacht dat de communicatiestijl van de deelnemers verbeterd aangezien communicatie wordt behandeld in de training. Tevens worden er moderator variabelen meegenomen in het onderzoek, aangezien het leereffect per individu kan verschillen. Openheid tot ervaring wordt meegenomen als moderator variabele, waarbij er verwacht wordt dat mensen die openstaan voor nieuwe ervaringen sneller zullen leren van de training. Jongere mensen zullen, naar verwachting, meer leren van de training. En deelnemers met veel ervaring als leidinggevende en deelnemers die eerdere trainingen hebben gevolgd zullen minder veel leren ten opzichte van minder ervaren deelnemers, omdat de ervaren deelnemers al over veel kennis beschikken. Het onderzoek werd uitgevoerd een real-life setting en het onderzoek heeft in totaal acht maanden geduurd. Uit onderzoek blijkt dat deelnemers meer gebruik gaan maken van coachend leiderschapsgedrag na de training. Tevens gaan ze meer gebruik maken van transactioneel en autocratisch leiderschap. Passief leiderschap wordt na de training niet meer of minder gebruikt door de deelnemers. Het inzicht in de eigen communicatie blijft hetzelfde bij de deelnemers. Tenslotte worden er geen relaties gevonden voor de moderator variabelen. Het huidig onderzoek is beperkt, door onder andere een kleine onderzoekssample. De training heeft waarschijnlijk meer de focus op situationeel leiderschap in plaats van coachend leiderschap. Huidig onderzoek geeft veel suggesties voor vervolgonderzoek, zoals het gebruik van meerdere beoordelaars om het gedrag van deelnemers te meten.</description>
    </item>
    <item>
      <title>Voorspellers van Pseudo-Herinneringen door Imaginatie bij Jong Volwassenen.</title>
      <link>https://thesis.eur.nl/pub/4058/</link>
      <pubDate>Mon, 18 Jun 2007 00:00:01 GMT</pubDate>
      <description>&lt;div&gt;Eerland, A.&lt;/div&gt;
Pseudo-herinneringen verwijzen naar herinneringen aan gebeurtenissen die nooit hebben plaatsgevonden. In dit onderzoek werd gekeken naar het aanmaken van pseudo-herinneringen aan alledaagse en bizarre acties door imaginatie. Ook werd er gekeken naar vijf mogelijke voorspellers voor het aanmaken van pseudo-herinneringen, namelijk besluiteloosheid, inbeeldingsvermogen, dissociatie, ‘fantasy proneness’ en alledaagse geheugenproblemen. Aan dit onderzoek deden 36 studenten mee als proefpersoon. Uit de analyses is gebleken dat het imagineren van acties leidde tot het aanmaken van pseudo-herinneringen aan het uitvoeren van deze acties. Het maakte niet uit of het ging om alledaagse of om bizarre acties. Verder konden er geen significante voorspellers voor het aanmaken van pseudo-herinneringen worden vastgesteld.</description>
    </item>
    <item>
      <title>De constructvaliditeit van de dimensie integriteit van een situational judgment test.</title>
      <link>https://thesis.eur.nl/pub/4060/</link>
      <pubDate>Mon, 18 Jun 2007 00:00:01 GMT</pubDate>
      <description>&lt;div&gt;Los, A.&lt;/div&gt;
Het doel van dit onderzoek was het vaststellen van de constructvaliditeit van de dimensie integriteit van een Situational Judgment Test (SJT) bestaande uit videofragmenten. Verder werd in dit onderzoek onderzocht in hoeverre de gebruikte SJT onderscheid maakte tussen de etnische meerderheid en etnische minderheidsgroepen. De totale steekproef bestond uit sollicitanten bij de Nederlandse politie (N = 408). Voor het bepalen van de constructvaliditeit werden de scores op de SJT door middel van correlationeel onderzoek vergeleken met twee interviews, de Hoe-Ik-Denk vragenlijst en een persoonlijkheidstest. De samenhang tussen de SJT en de verschillende metingen viel erg laag uit. De gevonden correlaties met de persoonlijkheidstest komen niet overeen met eerder onderzoek. Hoewel het verschil tussen de etnische meerderheid en de etnische minderheidsgroepen uit een t-test voor onafhankelijke metingen niet significant bleek te zijn, was de gevonden effect size (d = -.43), in het voordeel van de etnische meerderheid, groter dan de effect size uit eerder onderzoek. Er worden enkele mogelijke verklaringen gegeven voor de gevonden resultaten. Tot slot worden de beperkingen van dit onderzoek en aanbevelingen voor vervolgonderzoek besproken.</description>
    </item>
    <item>
      <title>Cultural differences in self-enhancement on a personality questionnaire in a South African assessment situation.</title>
      <link>https://thesis.eur.nl/pub/4061/</link>
      <pubDate>Mon, 18 Jun 2007 00:00:01 GMT</pubDate>
      <description>&lt;div&gt;Kevenaar, M.&lt;/div&gt;
The objective of this study was to investigate cultural differences in self-enhancement on a personality questionnaire in a South African assessment situation and to add to the debate on cross-cultural self-enhancement. The research brought together the literature on socially desirable responding and cross-cultural self-enhancement. Personality questionnaire data of a collectivistic (N=190) and an individualistic (N=162) sample were gathered at a South African assessment centre. Higher socially desirable responding scores for candidates of collectivistic culture, compared to lower scores of individualistic culture candidates, were examined. The personality questionnaire scales of socially desirable responding were regarded as moralistic self-enhancement. An unexpected interaction effect between culture and age emerged. Young collectivists moralistically self-enhance more than young individualists. This difference decreases and disappears with age.</description>
    </item>
    <item>
      <title>Gespiegeld aan een ander: een onderzoek naar sociale vergelijking en lichaamsontevredenheid bij adolescente meiden.</title>
      <link>https://thesis.eur.nl/pub/4039/</link>
      <pubDate>Mon, 18 Jun 2007 00:00:01 GMT</pubDate>
      <description>&lt;div&gt;Visser, E.&lt;/div&gt;
De laatste jaren is veel onderzoek gedaan naar de invloed van ideaalbeelden in de media op de lichaamsontevredenheid van individuen. Hieruit blijkt dat verschillende vormen van media van invloed zijn op de lichaamsontevreden-heid. Er is nog niet veel onderzoek gedaan naar de invloed van leeftijdgeno-ten op ontevredenheid met het eigen lichaam. In dit onderzoek wordt bekeken in hoeverre het vergelijken van jezelf met leeftijd- of groepsgenoten van invloed is op de lichaamsontevredenheid. Meiden van 13 tot 17 jaar (n = 170) vulden een tweetal vragenlijsten in en namen een aantal weken later deel aan een presentatie. Deze bestond uit het beoordelen van de eigen lichaamsdelen vergeleken met die van een ander persoon met een ideaal figuur, of het beoordelen van de kleding van deze persoon, of uit het beoordelen van deze kleding op een ‘dressboy’. Lichaamsontevredenheid werd gemeten. Geen van de meiden werd ontevredener na het zien van de presentatie.</description>
    </item>
    <item>
      <title>Antecedenten van Veranderingsbereidheid tijdens Organisatieveranderingen. Een onderzoek naar de invloed van vier veranderingscomponenten op de veranderingsbereidheid binnen een Nederlands bouwbedrijf; De bijdrage van criteria-, content-, context- en proceskenmerken.</title>
      <link>https://thesis.eur.nl/pub/4040/</link>
      <pubDate>Mon, 18 Jun 2007 00:00:01 GMT</pubDate>
      <description>&lt;div&gt;Magielse, S.&lt;/div&gt;
Onderzoek wijst uit dat organisatieveranderingen vaak tegenvallen (Kotter, 1995; Edmonson &amp; Woolley, 1999). Meer dan 70% van de veranderingsinitiatieven binnen een organisatie mislukken door factoren als een gebrek aan motivatie of slechte ondersteuning vanuit het management. &#13;
Het onderzoek naar veranderingstrajecten is op te delen in vier componenten (Armenakis en Bedeian, 1999). Er wordt gesuggereerd dit onderscheid binnen organisatieveranderingen een resultaat zijn van een interactie tussen de content of wat er veranderd; het proces of hoe de verandering wordt aangepakt; wie er betrokken is bij de verandering (criteria) en de organisatiecontext. Het belang van deze vier componenten is in het verleden al erkend, maar er is nog geen enkele studie uitgevoerd die deze vier componenten gelijktijdig onderzoekt in hun mogelijke samenhang met veranderingsbereidheid (Self, Armenakis, &amp; Schaninger, 2001). Op basis van wetenschappelijke onderzoeken zijn er voor iedere veranderingscomponent een aantal variabelen geselecteerd. Deze studie onderzoekt de additionele invloed van de vier veranderingscomponenten op de veranderingsbereidheid van medewerkers binnen een Nederlands bouwbedrijf.</description>
    </item>
    <item>
      <title>Geheugenomisies: over het verloren gaan van herinneringen.</title>
      <link>https://thesis.eur.nl/pub/4042/</link>
      <pubDate>Mon, 18 Jun 2007 00:00:01 GMT</pubDate>
      <description>&lt;div&gt;Goos, A.&lt;/div&gt;
Het geheugen kan op drie manieren beïnvloed worden. Aspecten uit het geheugen kunnen veranderd worden, aspecten kunnen aan het geheugen worden toegevoegd en uit het geheugen worden verwijderd. De eerste twee manieren van beïnvloeding van het geheugen zijn in het verleden veelvuldig onderzocht. Het verdwijnen van aspecten uit het geheugen, geheugenomissie, is echter minder onderzocht. Dit onderzoek heeft het optreden van geheugenomissies aangetoond, door 60 proefpersonen na het horen van een verhaal, een inbeeldingstaak te laten doen. Van deze taak bestond een volledige en een onvolledige versie. De proefpersonen die de onvolledige inbeeldingstaak hebben uitgevoerd, konden significant minder aspecten van het verhaal reproduceren, dan de proefpersonen die de volledige inbeeldingstaak kregen. Dit toont aan dat het mogelijk is om ervoor te zorgen dat bepaalde aspecten uit het geheugen verdwijnen.</description>
    </item>
    <item>
      <title>EEG repetition effect to high and low arousal emotional stimuli.</title>
      <link>https://thesis.eur.nl/pub/4044/</link>
      <pubDate>Mon, 18 Jun 2007 00:00:01 GMT</pubDate>
      <description>&lt;div&gt;Strekalova, N.J.&lt;/div&gt;
In the present EEG study the event-related brain potentials (ERPs) of twenty-four young women were recorded while subjects made old/new recognition judgments about emotionally charged pictures. Pleasant, neutral and unpleasant pictures from the International Affective Picture System (IAPS) were presented twice and differed in emotional intensity (high vs. low arousal). Three time windows were investigated (200-400 ms, 400-600 ms, and 600-100 ms after stimulus onset). Compared to neutral pictures ERP positivity was greater in the early stadium (200-400 ms) for pleasant and unpleased stimuli. Also the positive amplitude of ERPs increased with the intensity of emotional stimuli (i.e. arousal) in all three time ranges and was most pronounced at centro-parietal electrode position with the presence of left hemisphere trend. The old/new effect had a fronto-central bilateral distribution (more present for negative pictures) during 400-600 ms after the stimulus onset and a right anterior distribution in the time window of 600-1000 ms after the stimulus onset for both positive and negative stimuli.</description>
    </item>
    <item>
      <title>Het verband tussen agressiviteit, impulsiviteit en craving bij alcoholisme.</title>
      <link>https://thesis.eur.nl/pub/4050/</link>
      <pubDate>Mon, 18 Jun 2007 00:00:01 GMT</pubDate>
      <description>&lt;div&gt;Breedvelt, I.&lt;/div&gt;
Volgens Barratt (1994) verlaagt impulsiviteit de controle over de respons, waardoor agressie wordt versterkt. Uit verschillende eerdere studies is gebleken dat het gebruik van alcohol zowel impulsiviteit als agressiviteit verhoogd. Alcohol afhankelijke individuen ervaren tijdens abstinentie een vooral geestelijk, maar ook lichamelijk verlangen naar alcohol, zogenaamde craving. In deze studie werd onderzocht of impulsiviteit geassocieerd is met craving en agressiviteit in een steekproef alcoholisten. Verder werd onderzocht of er een verband is tussen het type alcoholist en agressiviteit. Proefpersonen vulden de Agressie Vragenlijst, Dickman Impulsivity Inventory, en Desires for Alcohol Questionnaire in. Disfunctionele impulsiviteit was significant gerelateerd aan craving en agressie. De relatie tussen disfunctionele impulsiviteit en agressie werd niet gemedieerd door craving. Er werd een significante relatie gevonden tussen enerzijds type 2 alcoholisme en anderzijds algemene agressie, fysieke agressie en craving. Dit is de eerste studie die laat zien dat craving niet de relatie tussen impulsiviteit en agressie versterkt.</description>
    </item>
    <item>
      <title>De invloed van algemene therapeutische vaardigheden op het leerrendement van dyslectische kinderen tijdens de dyslexiebehandeling.</title>
      <link>https://thesis.eur.nl/pub/4051/</link>
      <pubDate>Mon, 18 Jun 2007 00:00:01 GMT</pubDate>
      <description>&lt;div&gt;Duijnhouwer, E.&lt;/div&gt;
Binnen de dyslexiebehandeling van ‘de Leeskliniek’ Rotterdam wordt veel aandacht besteed aan de gedragstherapeutische dimensie. De basis voor deze dimensie wordt gevormd door de algemene therapeutische behandelvaardigheden. Het huidige exploratieve onderzoek had tot doel meer inzicht te krijgen in de manier waarop deze vaardigheden samenhangen met het leerrendement dat deze kinderen tijden de behandeling behalen. Gekeken is naar de algemene therapeutische vaardigheden van dyslexiebehandelaars aan de hand van de gedragsdimensies ‘emotionele ondersteuning’, ‘instructie’, ‘regulering’ en ‘afstemming’. Twee behandelaars zijn middels video opnamen geobserveerd tijdens vier behandelingen. Aan de hand van de observatie werd de kwaliteit van de vaardigheden bepaald door twee deskundigen. Van elke behandelaar zijn toetsgegevens van 15 kinderen verzameld aan het begin en aan het eind van de behandeling. Uit de resultaten van de ANOVA met herhaalde metingen bleek een effect van behandeling, maar geen effect van behandelaar, hetgeen suggereert dat de kwaliteit van de algemene therapeutische vaardigheden geen directe invloed heeft op het leerrendement van de dyslectische kinderen binnen dit onderzoek. Gezien de beperkingen van dit onderzoek is vervolgonderzoek gewenst om tot een duidelijke beantwoording van de onderzoeksvraag te komen.</description>
    </item>
  </channel>
</rss>
