<rss version="2.0">
  <channel>
    <title>Pedagogical Sciences</title>
    <link>https://thesis.eur.nl/col/7010/</link>
    <description>List of Publications</description>
    <language>en</language>
    <item>
      <title>Navigeren in een Meertalige Omgeving: Hoe het Onderwijs om Kan Gaan met een Diverse Taalomgeving</title>
      <link>https://thesis.eur.nl/pub/74351/</link>
      <pubDate>Tue, 25 Jun 2024 00:00:01 GMT</pubDate>
      <description>&lt;div&gt;Kaplan, B.&lt;/div&gt;
Deze systematische literatuurscriptie heeft als doel een overzicht te bieden van de effecten (de voor- en nadelen) van meertaligheid binnen het funderend onderwijs op het gebied van welbevinden en academische prestaties. Ook de wijze waarop omgegaan kan worden met meertaligheid binnen het funderend onderwijs komt in deze scriptie aan bod. De dataverzameling richtte zich op artikelen uit twee databases, namelijk ERIC en Scopus. Hierbij werden strikte (inclusie)criteria in acht genomen, waarbij in totaal twintig artikelen werden geanalyseerd. De resultaten laten zien dat meertaligheid diverse voordelen heeft gericht op het welbevinden en de academische prestaties. Voordelen richten zich op het hebben van zelfvertrouwen, verbeterde leerprestaties en op het cognitief gebied. Er zijn echter ook enkele nadelen voor wat betreft het welbevinden en de academische prestaties, namelijk het negatieve effect op welbevinden bij minder prestigieuze talen en het nodig hebben van extra ondersteuning indien de instructietaal sterk verschilt met de taal die leerlingen thuis vaak spreken. Verder laten de resultaten zien dat het onderwijs op verschillende manier om kan gaan met meertaligheid, bijvoorbeeld door het professionaliseren van leraren op dit gebied. De conclusie benadrukt het belang van het aansluiten op de meertalige realiteit, aangezien dit een verrijkende rol kan spelen binnen het funderend onderwijs. Deze scriptie is voornamelijk gericht op meertaligheid gerelateerd aan effecten op het gebied van welbevinden en academische prestaties. Toekomstig onderzoek kan zich richten op andere aspecten van meertaligheid.</description>
    </item>
    <item>
      <title>Empathie als sleutel in de relatie tussen ouderlijke sensitiviteit en sociale afwijzingsgevoeligheid bij kinderen</title>
      <link>https://thesis.eur.nl/pub/78102/</link>
      <pubDate>Sun, 29 Jun 2025 00:00:01 GMT</pubDate>
      <description>&lt;div&gt;Van Tongeren, M.&lt;/div&gt;
Sociale afwijzing, oftewel buitengesloten worden door sociale groepen, is een ingrijpende ervaring die bij kinderen kan leiden tot emotionele problemen zoals angst en depressie. Niet elk kind is hier echter even gevoelig voor, wat mogelijk samenhangt met sociale afwijzingsgevoeligheid. Het is daarom van belang te onderzoeken welke kinderen gevoelig zijn voor sociale afwijzing, zodat zij tijdig ondersteund kunnen worden. Hoewel eerdere literatuur zich voornamelijk richt op adolescenten en volwassenen, onderzoekt deze studie de overgangsfase van de kindertijd naar adolescentie (9-14 jaar). Deze studie gebruikt een moderatie-analyse om te bepalen of ouderlijke sensitiviteit (het sensitief en ondersteunend reageren van ouders) samenhangt met een lagere sociale afwijzingsgevoeligheid en of empathie van het kind hierin een versterkende rol speelt. Er wordt gebruikgemaakt van longitudinale data uit het L-CID-project, specifiek van een steekproef van tweelingen in de middenkindertijd (N = 227; M = 11.36 jaar). Ouderlijke sensitiviteit werd gemeten via geobserveerde ouder-kindinteracties tijdens de Etch-a-Sketch-taak. Empathie werd gemeten via oudervragenlijsten (MyChild) en sociale afwijzingsgevoeligheid via zelfrapportages door kinderen (BFNE). Hoewel er geen bewijs werd gevonden voor het idee dat ouderlijke sensitiviteit (9-11 jaar) sociale afwijzingsgevoeligheid (12-14 jaar) zou verklaren, noch dat empathie hier een versterkende rol in zou spelen, biedt dit onderzoek nieuwe inzichten. Dit onderzoek benadrukt het belang van bredere opvoedinterventies waarin naast sensitiviteit ook risicovolle opvoedpraktijken worden meegenomen, om sociale afwijzing mogelijk te verminderen. De resultaten benadrukken bovendien de noodzaak van gedifferentieerdere meetmethoden, grotere steekproeven en de betrokkenheid van vaders in toekomstig onderzoek.</description>
    </item>
    <item>
      <title>Van Binnenuit Verbonden: De Effectieve Rol van Intrinsieke Motivatie bij het Naleven van het Telefoonverbod</title>
      <link>https://thesis.eur.nl/pub/78100/</link>
      <pubDate>Tue, 01 Jul 2025 00:00:01 GMT</pubDate>
      <description>&lt;div&gt;Van Vugt, E.A.&lt;/div&gt;
Deze studie onderzocht de relatie tussen smartphoneverslaving en naleving van het telefoonverbod in het Nederlandse voortgezet onderwijs. Daarnaast werd de beschermende rol van intrinsieke motivatie voor naleving van het verbod geanalyseerd. De verwachting was dat een hogere mate van smartphoneverslaving samenhing met mindere naleving van het telefoonverbod (H1), dat meer intrinsieke motivatie voor naleving leidde tot naleving van het telefoonverbod (H2) en dat intrinsieke motivatie voor naleving de negatieve relatie tussen een smartphoneverslaving en naleving beschermde (H3). De gegevens voor deze cross-sectionele studie zijn afkomstig uit het Unplugged project. In totaal vulden 106 leerlingen (leeftijd 11-18 jaar) een online vragenlijst in. Smartphoneverslaving werd gemeten met een vertaalde versie van een bestaande schaal voor smartphoneverslaving. Intrinsieke motivatie voor naleving van het telefoonverbod en naleving van het telefoonverbod werden gemeten met op maat gemaakte zelfrapportagevragenlijsten. De gegevens werden geanalyseerd met behulp van correlatie- en moderatieanalyses. Er werd geen significante relatie gevonden tussen smartphoneverslaving en naleving van het telefoonverbod. Ook werd geen modererende rol van intrinsieke motivatie vastgesteld. Wel bleek dat intrinsieke motivatie positief samenhing met naleving van het telefoonverbod. Hoewel smartphoneverslaving geen significante voorspeller bleek voor het overtreden van het telefoonverbod, laat de studie zien dat intrinsieke motivatie voor naleving een rol speelt in naleving van het telefoonverbod. De bevindingen benadrukken het belang van motivatiegerichte benadering bij het implementeren van gedragsregels op school. Methodologische beperkingen, zoals het gebruik van zelfrapportage en een selectieve steekproef, beperken de generaliseerbaarheid.</description>
    </item>
    <item>
      <title>Hulpverlening aan Gezinnen in Armoede; Wat Maakt of Breekt de Ondersteuning?</title>
      <link>https://thesis.eur.nl/pub/78122/</link>
      <pubDate>Tue, 01 Jul 2025 00:00:01 GMT</pubDate>
      <description>&lt;div&gt;Radder, E.C.&lt;/div&gt;
Kinderen die opgroeien in armoede hebben een verhoogde kans op het ontwikkelen van cognitieve achterstanden, gezondheidsproblemen en sociaal-emotionele problemen. Vanwege de complexe problematiek blijkt dat hulpverlening aan gezinnen in armoede vaak lastig is.&#13;
In dit kwalitatieve onderzoek zijn, aan de hand van negen interviews, de ervaringen van hulpverleners onderzocht met betrekking tot het ondersteunen van een gezin in armoede. Hierbij is, met behulp van het programma Atlas.ti, thematisch analyse uitgevoerd, waarbij deductieve en inductieve codering is toegepast. Als basis voor de analyse is gebruik gemaakt van het Regenboogmodel van Valentijn et al. (2013) om de stimulerende en belemmerende factoren te onderscheiden op micro-, meso- en macroniveau. Dit onderzoek heeft als doel de stimulerende en belemmerende factoren in kaart te brengen, die hulpverleners ervaren bij het ondersteunen van gezinnen in armoede. Uit de resultaten blijkt dat vertrouwen in de hulpverlener en goede samenwerking een stimulerende rol spelen in ondersteuning aan gezinnen in armoede. Tegelijkertijd blijkt dat deze hupverlening beïnvloed wordt door een wisselwerking op en tussen het micro-, meso- en macroniveau. Zo beïnvloeden belemmerende factoren op macroniveau de mogelijkheden voor het opbouwen van een vertrouwensrelatie op microniveau. Dit benadrukt dat hulpverlening vraagt om een integrale benadering. Kortom, het ondersteunen van gezinnen in armoede vereist zowel een niveau specifieke als een niveau overstijgende aanpak, zodat de hulpverlening beter aansluit bij de behoeften van gezinnen in armoede en bijdraagt aan betere ontwikkelingskansen voor kinderen.</description>
    </item>
    <item>
      <title>De rol van Risicotaxatie in Besluitvorming over Armoede: Ervaringen van Hulpverleners bij Enver</title>
      <link>https://thesis.eur.nl/pub/78121/</link>
      <pubDate>Tue, 01 Jul 2025 00:00:01 GMT</pubDate>
      <description>&lt;div&gt;Akhiat, S.&lt;/div&gt;
Samenvatting&#13;
Dit kwalitatieve onderzoek richt zich op hoe hulpverleners van jeugdhulporganisatie Enver de besluitvorming rondom armoede ervaren en welke rol het Actuarieel Risicotaxatie-Instrument voor Jeugdbescherming (ARIJ) daarin speelt. Er zijn semigestructureerde interviews afgenomen met acht hulpverleners uit vier verschillende werkvormen (residentiele zorg, pleegzorg, Enver op School en crisishulp) van Enver in Rotterdam. &#13;
De analyse van data is uitgevoerd met behulp van thematische analyse, waarin zowel deductieve als inductieve codering is toegepast. Het Decision-Making Ecology Model dient als theoretisch kader voor het onderscheiden van vier beïnvloedende factoren van besluitvorming: casus factoren, hulpverlener factoren, organisatorische factoren en externe factoren. &#13;
De resultaten laten zien dat armoede zelden als een op zichzelf staand risico wordt gezien, maar in samenhang met andere factoren wordt gewogen. De ARIJ wordt daarin voornamelijk gebruikt ter structurering of verantwoording van bestaand professioneel oordeel. Hulpverleners ervaren belemmeringen in het bespreken en scoren van armoede, onder andere door schaamte bij ouders, gebrek aan training en onduidelijk beleid. Ook eerdere ervaringen met gezinnen en de beschikbaarheid van externe hulpinzetting beïnvloeden besluitvorming.&#13;
Concluderend laat dit onderzoek zien dat risicotaxatie slechts effectief is wanneer structurele, organisatorische en relationele factoren samenkomen. Aanbevolen wordt om hulpverleners gericht te trainen in gespreksvoering over armoede en het invullen van de ARIJ. Ook wordt aangemoedigd om de ARIJ beter te integreren in werkprocessen en aandacht voor financiële stress te versterken in beleid en praktijk.  &#13;
&#13;
&#13;
Abstract&#13;
This study investigates how youth care professionals at the organization Enver in Rotterdam perceive decision-making around poverty and how the Actuarial Risk assessment Instrument for Youth Protection (ARIJ) supports that process. Semi-structured interviews were conducted with eight professionals from four different service domains (residential care, foster care, school-based support, and crisis intervention).  &#13;
Data were collected through semi-structured interviews. Thematic analysis was used to analyze the data, combining both deductive and inductive coding. The Decision-Making Ecology Model served as the theoretical framework to distinguish four levels of influence: case-related factors, practitioner-related factors, organizational-related factors, and external factors. &#13;
The findings show that poverty is rarely identified as an independent risk factor, but rather as intertwined with broader family issues. The ARIJ is used inconsistently and primarily serves as a tool for structuring or justifying existing professional judgements. Professionals report challenges in addressing and scoring poverty, due to parental shame, lack of training, and ambiguous policy implementation. Previous experiences with families and the availability of external support also influence decision-making. &#13;
In conclusion, this study demonstrates that risk assessment is only effective when structural, organizational, and relational conditions are aligned. It is recommended that professionals receive training in discussing poverty, and the use of the ARIJ. It is also important that the ARIJ becomes more clearly integrated in both policy and frontline work.</description>
    </item>
    <item>
      <title>Slaapproblemen en Negatief Affect bij Adolescenten: de Modererende rol van Sociale Acceptatie</title>
      <link>https://thesis.eur.nl/pub/78114/</link>
      <pubDate>Tue, 01 Jul 2025 00:00:01 GMT</pubDate>
      <description>&lt;div&gt;Verhagen, X.&lt;/div&gt;
Background: The last few years there has been a decline in mental health and an increase in seeking professional help among adolescents. Research has shown that sleep and social support each have a unique influence on the mood of adolescents. An increase in sleeping problems seems to lead to a more negative mood and an increase in social support seems to lead to a less negative mood. However, little is known about the impact of social support on the relationship between sleep and mood among adolescents. The current study aimed to gain more clarity on this process. Method: Using the experience sampling method, adolescents (N= 294, 13-16 years, 58% female) filled in a questionnaire multiple times per day for six days in a row. In these questionnaires they were asked to rate sleeping problems, social acceptance and current mood. Means were calculated and used as trait scores. Three moderation-analyses were executed to shed light on the mechanisms of two kinds of social acceptance: parental and friends acceptance. Results: The analyses suggested that less sleeping problems and more social acceptance, both parental and friends, were associated with a less negative and a more positive mood. However, neither parental, nor friends social acceptance seemed to have an influence on the relationship between sleep and mood. Conclusion: These findings suggest that it is important for adolescents’ mood to get good sleep and to feel accepted by their friends and parents. This in turn can help adolescents while they are waiting for professional help.</description>
    </item>
    <item>
      <title>Romantische relaties en negatief affect: De mediërende rol van zelfwaardering</title>
      <link>https://thesis.eur.nl/pub/78113/</link>
      <pubDate>Wed, 02 Jul 2025 00:00:01 GMT</pubDate>
      <description>&lt;div&gt;Van Tiggelen, F.C.C.&lt;/div&gt;
Romantische relaties spelen een belangrijke rol in het psychologisch welzijn van adolescenten, maar hun invloed is niet eenduidig. In deze kwantitatieve studie is onderzocht in hoeverre adolescenten met een romantische relatie minder negatief affect ervaren, en de verklarende rol van zelfwaardering hierin. Daarnaast is onderzocht of adolescenten die tevreden zijn over hun relatie minder negatief affect ervaren, en of zelfwaardering ook daarin een rol speelt. Tevens zijn exploratieve analyses met positief affect als uitkomstmaat uitgevoerd. De steekproef bestond uit 227 studenten (91% vrouw, M = 19.60 jaar). De data zijn verzameld middels Experience Sampling Method, waarbij deelnemers gedurende 11 dagen, vijf keer per dag een korte vragenlijst invulden. Op basis van theorie en eerder onderzoek werd verwacht dat zowel een romantische relatie als relatietevredenheid gepaard zou gaan met meer zelfwaardering, wat negatief affect zou verminderen. De hypothesen zijn getoetst met mediatie-analyses. De resultaten boden echter geen ondersteunend bewijs voor de veronderstelde verbanden. Wel bleek dat adolescenten met een relatie, of hoge relatietevredenheid, meer positief affect ervaarden dan adolescenten zonder relatie of met minder relatietevredenheid. In beide gevallen werd dit niet verklaard door zelfwaardering. Wel rapporteerden jongeren met hogere zelfwaardering gemiddeld minder negatief en meer positief affect, ongeacht hun relatiestatus, wat het belang onderstreept van zelfwaardering in het welbevinden van adolescenten. Suggesties voor vervolgonderzoek betreffen de tijdsspanne van het onderzoek, het onderscheiden van soorten romantische betrokkenheid en het gebruik van een betrouwbare schaal voor relatietevredenheid, om uiteindelijk beter te begrijpen hoe romantische relaties bijdragen aan het psychisch welzijn van jongeren.</description>
    </item>
    <item>
      <title>De Schaduw van Eenzaamheid; De rol van Geslacht in de Relatie met Mentale Gezondheid</title>
      <link>https://thesis.eur.nl/pub/78101/</link>
      <pubDate>Thu, 03 Jul 2025 00:00:01 GMT</pubDate>
      <description>&lt;div&gt;Balakouh, N.&lt;/div&gt;
Wereldwijd is eenzaamheid onder adolescenten sterk toegenomen. In deze studie is de relatie tussen eenzaamheid en mentale gezondheid onder adolescenten onderzocht, evenals de modererende rol van geslacht in deze relatie. Het doel van dit onderzoek was om het huidige beperkte aantal studies uit te breiden en meer inzicht te krijgen in deze samenhang gedurende de adolescentie. Gegevens zijn verzameld via een kwantitatief cross-sectioneel design, gebaseerd op data van het Longitudinal Internet Studies for the Social Sciences (LISS) panel. Adolescenten tussen de 16 en 25 jaar (M = 20.69, 60% Vrouw) vulden twee vragenlijst in die hun mate van eenzaamheid en mentale gezondheid peilde. Hiervoor zijn de verkorte De Jong Gierveld-schaal voor eenzaamheid en de Mental Health Inventory (MHI-5) voor mentale gezondheid gebruikt. De resultaten van de hiërarchische regressieanalyse laten zien dat eenzaamheid significant negatief samenhangt met mentale gezondheid. Hoewel vrouwen gemiddeld hogere niveaus van eenzaamheid en een lagere mentale gezondheid rapporteren dan mannen, werd geen bewijs gevonden voor een verschillend effect tussen beide geslachten. Deze bevindingen suggereren dat de samenhang tussen eenzaamheid en mentale gezondheid gedurende de adolescentie niet afhankelijk is van geslacht en dat andere factoren mogelijk een grotere rol spelen. Toekomstig onderzoek zou zich moeten richten op het verder onderzoeken van de invloed van migratieachtergrond op de relatie tussen deze twee factoren bij deze specifieke leeftijdsgroep, evenals de rol van en geslacht hierin.</description>
    </item>
    <item>
      <title>De wijk als stimulans voor behoud van een gezond gewicht bij basisschoolleerlingen</title>
      <link>https://thesis.eur.nl/pub/78097/</link>
      <pubDate>Thu, 03 Jul 2025 00:00:01 GMT</pubDate>
      <description>&lt;div&gt;Walraven, F.&lt;/div&gt;
Deze systematische review onderzocht hoe hulpbronnen in de wijk bijdragen aan het welzijn, door ondersteuning van een gezond gewicht, van basisschoolleerlingen (6 tot 12 jaar). Op basis van twintig recente studies werd de relatie tussen de inrichting van de wijk en het gewicht van kinderen onderzocht. De focus hierbij lag op aspecten in de inrichting van wijk gerelateerd aan fysieke activiteit en voeding. Wat betreft aspecten gerelateerd aan fysieke activiteit, meerdere studies wijzen uit dat de aanwezigheid van groen en parken in de wijk een belangrijke hulpbron vormt voor het ondersteunen van een gezond gewicht. Speeltuinen zijn niet consistent als hulpbron geïdentificeerd. Wat betreft aspecten gerelateerd aan voeding is de invloed van supermarkten niet eenduidig, terwijl groente- en fruitmarkten in de wijk consistenter gerelateerd zijn aan een lager gewicht. Ook kan een grotere afstand tot fastfoodrestaurants worden beschouwd als een hulpbron, aangezien een grotere afstand tot fastfood in de woonomgeving samenhing met een lager gewicht. De effectiviteit van de geïdentificeerde hulpbronnen varieert tussen demografische groepen en omstandigheden en kan worden beïnvloed door de factoren sociaaleconomische status, etniciteit, geslacht en leeftijd. De review concludeert dat, ondanks de heterogene resultaten, de inrichting van de wijk een rol speelt bij behoud van een gezond gewicht van basisschoolleerlingen. De onderliggende mechanismen in deze relatie blijven onbekend, en behoeven meer onderzoek. Beleidsmakers en stedenbouwkundigen worden aangemoedigd om de inzichten uit deze review te gebruiken bij de ontwikkeling van gezondheidsbevorderende en kindvriendelijke wijken.</description>
    </item>
    <item>
      <title>Sociale normen en groente- en fruitsnackconsumptie in de vroege adolescentie: De modererende rol van zelfwaardering</title>
      <link>https://thesis.eur.nl/pub/78123/</link>
      <pubDate>Fri, 04 Jul 2025 00:00:01 GMT</pubDate>
      <description>&lt;div&gt;Van Jeveren, L.&lt;/div&gt;
Wereldwijd groeit bezorgdheid over het toenemend aantal jonge adolescenten met overgewicht en obesitas. Omdat voedingsgewoonten zich vormen tijdens de vroege adolescentie, is het cruciaal te begrijpen welke rol de sociale omgeving, met name leeftijdsgenoten, hierin speelt. Deze cross-sectionele studie onderzocht hoe sociale normen (i.e., descriptief en injunctief) van vrienden samenhangen met de groente- en fruitsnackconsumptie van jonge adolescenten (12–15 jaar) en in hoeverre zelfwaardering deze relatie modereert. Descriptieve normen verwijzen naar de perceptie van wat vrienden doen, injunctieve normen naar wat vrienden sociaal wenselijk achten. Hiervoor werden zelfgerapporteerde vragenlijstgegevens uit het MyMovez-project gebruikt (N = 210; M = 12.27 jaar; 54.3% meisje). Twee moderatieanalyses lieten zien dat jonge adolescenten die sterker ervaren dat vrienden groente- en fruitsnacks eten, zelf ook meer groente- en fruitsnacks consumeren (r = .16, p = .024). De perceptie dat vrienden dit gedrag sociaal wenselijk achten, hing daarentegen niet samen met hun eigen consumptie. Ook bleek hogere zelfwaardering niet samen te hangen met meer consumptie van groente- en fruitsnacks, noch versterkte het de relatie tussen sociale normen en consumptiegedrag. De meetwijze van injunctieve norm en zelfwaardering lijkt mogelijk een verklaring voor het uitblijven van een samenhang. Vervolgonderzoek wordt aanbevolen formuleringen van injunctieve normen en domein-specifieke moderators, zoals zelfeffectiviteit, te onderzoeken. Deze bevindingen onderstrepen het belang van de perceptie van het consumptiegedrag van vrienden. Het is daarom wenselijk groepsgerichte benaderingen te implementeren binnen preventie- en interventieprogramma’s, waarin leeftijdsgenoten gezonde voedingsgewoonten modelleren, om ongezonde voedingsgewoonten te doorbreken en daarmee overgewichtcijfers en druk op de gezondheidszorg te verminderen.</description>
    </item>
    <item>
      <title>Prenatal Maternal Depressive Symptoms, Child Problem Behavior, and Amygdala Volume: The Role of Harsh Parenting</title>
      <link>https://thesis.eur.nl/pub/78092/</link>
      <pubDate>Fri, 04 Jul 2025 00:00:01 GMT</pubDate>
      <description>&lt;div&gt;Vurun, D.&lt;/div&gt;
Background: The association between prenatal maternal depression and adverse child outcomes is well established, but the role of potential moderating factors remains poorly understood. Objectives: This study investigates the role of harsh parenting in the association between prenatal maternal depressive symptoms and internalizing symptoms, externalizing symptoms, and amygdala volume in preadolescents. Methods: A total of 1,436 child-mother pairs from the Generation R study participated. Prenatal depressive symptoms, child internalizing and externalizing symptoms, and harsh parenting were assessed using questionnaires completed by the mothers. To measure amygdala volume, children visited the research center, where T1-weighted brain scans were obtained using a Magnetic Resonance Imaging scanner. Direct associations between prenatal depressive symptoms and internalizing symptoms, externalizing symptoms, and amygdala volume were initially examined using linear regression analyses. The moderating role of harsh parenting was investigated by including an interaction term with prenatal depressive symptoms. Results: Higher prenatal maternal depressive symptoms were significantly associated with increased internalizing symptoms (badj = 0.117, 95% CI [0.043, 0.191], pFDR = .002) and increased externalizing symptoms in preadolescents (badj = 0.104, 95% CI [0.030, 0.178], pFDR = .006), with internalizing symptoms showing the strongest association. We found no evidence for a moderating role of harsh parenting in these associations. However, harsh parenting was independently associated with externalizing symptoms (badj = 0.145, 95% CI [0.092, 0.198], pFDR &amp;lt; .001). Conclusion: This study found that higher levels of prenatal depressive symptoms in mothers were associated with higher internalizing and externalizing symptoms in preadolescents, regardless of harsh parenting levels.</description>
    </item>
    <item>
      <title>Intenties en consumptie van groente- en fruitsnacks bij jonge adolescenten: De modererende rol van vriendensupport</title>
      <link>https://thesis.eur.nl/pub/78119/</link>
      <pubDate>Sat, 05 Jul 2025 00:00:01 GMT</pubDate>
      <description>&lt;div&gt;Mulder, R.A.&lt;/div&gt;
Samenvatting&#13;
Overgewicht bij jonge adolescenten vormt een groeiend probleem, mede door ongezond snackgedrag. Groente- en fruitsnacks bieden een gezond alternatief, maar worden nog onvoldoende geconsumeerd. Volgens de Theory of Planned Behavior (TPB) leidt intentie om gezond te eten tot gezonder eetgedrag. Sociale steun van vrienden kan mogelijk deze relatie versterken, maar hierover is bij jonge adolescenten nog weinig bekend. Dit cross-sectionele onderzoek onderzocht of sociale steun van vrienden de relatie modereert tussen de intentie om groente- en fruitsnacks te eten en de daadwerkelijke consumptie hiervan bij jonge adolescenten (12–15 jaar). Er werd gebruikgemaakt van vragenlijstgegevens uit wave 2 van het MyMovez-project, ingevuld door 262 jonge adolescenten (M = 12.29; SD = 0.46; 58.5% meisjes). Moderatieanalyses lieten zien dat jonge adolescenten met een sterkere intentie om groente en fruit te eten significant vaker groente- en fruitsnacks aten (b = 0.12, p &amp;lt; .001; rp ≈ .22). De mate van sociale steun bleek niet samen te hangen met de groente- en fruitsnackconsumptie. Ook bleek er geen samenhang te zijn tussen het modererende effect van sociale steun. Jonge adolescenten die meer sociale steun van hun vrienden ervoeren, aten dus niet meer groente- of fruitsnacks dan anderen. Aanvullend onderzoek kan verdiepen hoe attitude, subjectieve normen en waargenomen gedragscontrole de intentie beïnvloeden. Tevens kan worden onderzocht of specifieke vormen van sociale steun bijdragen aan het uitvoeren van gezonde voornemens. In de praktijk kunnen interventie programma’s die intentie versterken en planningsvaardigheden aanleren, jonge adolescenten ondersteunen bij gezonde snackkeuzes. &amp;lt;br /&amp;gt;</description>
    </item>
    <item>
      <title>Traumatische jeugdervaringen van ouders en de gehechtheid van het kind: De mediërende rol van opvoedstress</title>
      <link>https://thesis.eur.nl/pub/78095/</link>
      <pubDate>Sat, 05 Jul 2025 00:00:01 GMT</pubDate>
      <description>&lt;div&gt;Micic, A.N.&lt;/div&gt;
In deze studie is onderzoek gedaan naar de mediërende rol van opvoedstress in de relatie tussen traumatische jeugdervaringen van ouders en de gehechtheid van het kind. Er werd gebruik gemaakt van een klinische steekproef van ouders die waren aangemeld bij Veilig Thuis vanwege (vermoedens van) kindermishandeling of partnergeweld (N = 177). Met behulp van zelfrapportage vragenlijsten werden gegevens verzameld over traumatische jeugdervaringen van ouders (ACE-vragenlijst), opvoedstress (NOSI-K), en de gehechtheid van het kind (Security Scale). Alle vragenlijsten zijn ingevuld door de ouder. De gegevens zijn geanalyseerd via een mediatieanalyse door middel van bootstrapping in PROCESS-macro van Hayes in het IBM SPSS Statistics 29 programma. De resultaten toonden geen significante relatie tussen traumatische jeugdervaringen van ouders en opvoedstress, noch tussen traumatische jeugdervaringen van ouders en de gehechtheid van het kind. Wel werd er een significante negatieve relatie gevonden tussen opvoedstress van ouders en de gehechtheid van het kind. De mediatieanalyse toonde aan dat opvoedstress geen verklarende rol speelt in de relatie tussen traumatische jeugdervaringen van ouders en de gehechtheid van het kind. Deze bevindingen benadrukken dat hoewel opvoedstress invloed heeft op de gehechtheid van het kind, het niet de verklarende factor is tussen traumatische jeugdervaringen en gehechtheid. Mogelijk loopt deze relatie via andere mechanismen, zoals de gevolgen die het meemaken van traumatische jeugdervaringen met zich meebrengt. Voor toekomstig onderzoek wordt aanbevolen om onderscheid te maken tussen veel en weinig traumatische jeugdervaringen en om verschillen in gender en mogelijke alternatieve mediatoren te onderzoeken.</description>
    </item>
    <item>
      <title>Naleving van het telefoonverbod op de middelbare school en associaties met motivatie en sociale normen</title>
      <link>https://thesis.eur.nl/pub/78098/</link>
      <pubDate>Sat, 05 Jul 2025 00:00:01 GMT</pubDate>
      <description>&lt;div&gt;Multem, L.&lt;/div&gt;
Samenvatting&#13;
Alle middelbare scholen in Nederland hebben vanaf 2024 verplicht een telefoonverbod op school, omdat telefoons een negatieve invloed hebben op de leerprestaties van leerlingen. Het telefoonverbod werkt het beste als alle leerlingen het telefoonverbod naleven. Daarom is het doel van dit onderzoek om de relatie tussen intrinsieke motivatie, injunctieve en descriptieve sociale normen van leerkrachten en klasgenoten en de naleving van het telefoonverbod op de middelbare school te onderzoeken. Voor dit onderzoek is een convenience sample van 106 middelbare scholieren van een school uit Amstelveen gebruikt, die een online vragenlijst hebben ingevuld. De data zijn geanalyseerd met een multipele ordinale logistische regressieanalyse, met de naleving van het telefoonverbod als afhankelijke variabele. De onafhankelijke variabelen zijn de intrinsieke motivatie en de injunctieve en descriptieve sociale normen van leerkrachten en klasgenoten. De resultaten van dit onderzoek hebben geen bewijs geleverd voor een relatie tussen de sociale normen en de naleving van het telefoonverbod. Daarnaast is gebleken dat de intrinsieke motivatie alleen geassocieerd is met de naleving van het telefoonverbod buiten de les en dus niet tijdens de les. Een hogere intrinsieke motivatie wordt gerelateerd aan een betere naleving van het telefoonverbod buiten de les. Middelbare scholen zouden de intrinsieke motivatie van leerlingen kunnen bevorderen, om de naleving van het telefoonverbod buiten de les te verhogen. &#13;
&#13;
Abstract&#13;
All secondary school in the Netherlands are obliged to implement a telephone ban since 2024, because telephones have a negative influence on the academic performance of students. The telephone ban is the most effective when all students comply with the telephone ban. Therefore, the goal of this research is to investigate the relationship between intrinsic motivation, injunctive and descriptive social norms of teachers and classmates and the compliance with the telephone ban. For this research, a convenience sample of 106 secondary education students from a school in Amstelveen is used, who filled in an online survey. The data is analysed with a multiple ordinal regression analysis, with the compliance with the telephone ban as the dependent variable. The independent variables were the intrinsic motivation and the injunctive and descriptive social norms of teachers and classmates. The results of this research found no evidence for a relationship between the social norms and the compliance with the telephone ban. In addition, intrinsic motivation is found to only be associated with the compliance with the telephone ban outside the classroom and not during the lessons. Higher intrinsic motivation is related to better compliance with the telephone ban outside the lessons. Secondary schools could promote the intrinsic motivation of their students, to increase the compliance with the telephone ban outside the lessons.</description>
    </item>
    <item>
      <title>Relating Creative Self-Efficacy and Cognitive Load Development in Adolescents Engaged in an AI-Supported Environment</title>
      <link>https://thesis.eur.nl/pub/78116/</link>
      <pubDate>Sat, 05 Jul 2025 00:00:01 GMT</pubDate>
      <description>&lt;div&gt;Roelofs, P.&lt;/div&gt;
Creativity is an essential 21st century skill that should be fostered in education to prepare children for their future careers. Several studies indicate the positive influence of creative self-efficacy (CSE) on creativity. Recent research highlights that AI-supported learning environments have the potential to heighten CSE through scaffolding, for example by offering students successful learning experiences and gradually withdrawing support. Moreover, these environments could mitigate cognitive load (CL) – the mental effort required to process information –, a concept that is positively related to CSE. This study investigated how CSE develops and relates to CL in 13 male Australian secondary school students engaging in a three week AI-supported learning programme. Participants worked in small groups to build a Mars Rover, receiving scaffolded support from an AI-based vision analytics tool that uses algorithms to interpret and analyse visual information. Data were collected through repeated self-report measures and analysed using descriptive statistics, Pearson correlations, and Generalized Estimating Equations (GEE). Results showed a significant increase in CSE across sessions. While CSE was positively associated with CL – in contrary to previous research – this relationship weakened over time. This study contributes to the growing body of literature on AI-supported learning by demonstrating that scaffolded AI tools can promote CSE in adolescents over a short period of time. Moreover, these findings offer promising directions for future research and educational practice. Learning environments similar to the one used in this study, for example, could be integrated into broader curricula and over extended periods of time to foster students’ CSE.</description>
    </item>
    <item>
      <title>De Bijdrage van Waargenomen Wijkveiligheid op het Emotioneel Welzijn van Kinderen: Een Systematische Review</title>
      <link>https://thesis.eur.nl/pub/78096/</link>
      <pubDate>Sat, 05 Jul 2025 00:00:01 GMT</pubDate>
      <description>&lt;div&gt;Vermeiren, E.J.C.&lt;/div&gt;
Het doel van de systematische review was onderzoeken in hoeverre waargenomen wijkveiligheid bijdraagt aan het emotionele welzijn van kinderen van zes tot en met twaalf jaar. Aanvullend werd onderzocht in hoeverre de percepties over wijkveiligheid van ouders en kinderen overeenkwamen en welke aspecten van de wijk bijdroegen aan de veiligheidspercepties van ouders en kinderen. Volgens de Preferred Reporting Items for Systematic Reviews and Meta-Analyses (PRISMA) methodiek is er een zoekactie in de databanken Web of Science, PsycINFO en Scopus uitgevoerd naar Engelstalige artikelen gepubliceerd vanaf 2000 op 11 april 2025 en is de sneeuwbalmethode toegepast. Uiteindelijk zijn twintig studies geïncludeerd. De resultaten toonden aan dat er een positief verband was tussen het ervaren van wijkveiligheid en emotioneel welzijn van kinderen. Verder is er voornamelijk een lage mate van overeenstemming tussen de percepties van ouders en kinderen over wijkveiligheid gevonden. Ook droegen andere aspecten van de wijk bij aan de veiligheidspercepties van kinderen en ouders. Het overwegende cross-sectionele design van de geïncludeerde studies maakt dat er een leemte is in onderzoeken die inzicht bieden in de effecten van waargenomen wijkveiligheid op het emotioneel welzijn van kinderen op de lange termijn. Concluderend toonde deze systematische review aan dat waargenomen wijkveiligheid kan bijdragen aan het emotionele welzijn van kinderen. De bevindingen bieden aanknopingspunten voor lokaal beleid ter verbetering van fysieke en sociale aspecten in de wijk om het emotioneel welzijn van kinderen te vergroten. Toekomstig onderzoek is nodig om te onderzoeken welke aspecten van wijkveiligheid bijdragen aan het emotionele welzijn van kinderen.</description>
    </item>
    <item>
      <title>Kindermishandeling en ouder-kind hechtingsrelatie: De rol van type hulpverlening (vrijwillig of jeugdbeschermingsmaatregel) op hechtingsherstel</title>
      <link>https://thesis.eur.nl/pub/78094/</link>
      <pubDate>Sun, 06 Jul 2025 00:00:01 GMT</pubDate>
      <description>&lt;div&gt;Koolen, S.&lt;/div&gt;
Kindermishandeling vormt een ernstige bedreiging voor de ontwikkeling van kinderen, waarbij de ouder-kind hechtingsrelatie vaak wordt aangetast. Het doel van deze studie is om te onderzoeken of het type hulpverlening (vrijwillig of onder jeugdbeschermingsmaatregel) dat gezinnen ontvangen na een melding van kindermishandeling of huiselijk geweld, samenhangt met verbetering van de ouder-kind hechtingsrelatie. De data zijn afkomstig uit het longitudinale onderzoeksproject Huiselijk geweld: een complex en hardnekkig probleem, met een steekproef van 624 kinderen in de leeftijd van 8 tot 17 jaar. De ouder-kindhechtingsrelatie werd gemeten met de Security Scale op twee meetmomenten; ernst van kindermishandeling werd gemeten met de Conflict Tactics Scale Parent Child (CTSPC). De analyses bestonden uit mixed ANOVA's, waarbij tevens gecontroleerd werd voor ernst van kindermishandeling. De resultaten lieten zien dat hechtingsscores over tijd stabiel bleven en dat er geen significante verschillen waren tussen vrijwillige hulpverlening en jeugdbeschermingsmaatregelen. Wel werd een significante negatieve relatie gevonden tussen ernst van mishandeling en hechtingsscores; ernstigere mishandeling hing samen met lagere hechtingsscores. Deze bevinding benadrukt het belang van tijdige signalering van mishandeling en het toepassen van hechtingsgerichte interventies binnen de jeugdhulpverlening.</description>
    </item>
    <item>
      <title>Virtual Reality-interventies voor Angstvermindering bij Jeugdigen: Een Systematische Review</title>
      <link>https://thesis.eur.nl/pub/78093/</link>
      <pubDate>Sun, 06 Jul 2025 00:00:01 GMT</pubDate>
      <description>&lt;div&gt;Zafraoui, S.&lt;/div&gt;
Abstract&#13;
Anxiety disorders are among the most common mental health disorders worldwide in children and adolescents. The risk of developing an anxiety disorder during youth has increased in recent years. Having an anxiety disorder is associated with many negative outcomes, such as reduced quality of life and life satisfaction. Existing treatments for anxiety disorders may not be sufficient for all youth, which underscores the need for innovative forms of treatment, such as Virtual Reality (VR) interventions. This systematic review examined the extent to which VR interventions contribute to reducing anxiety symptoms in youth with an anxiety disorder. Using search terms developed according to the Population, Intervention, Comparison Outcome method, the databases SCOPUS and Web of Science and the Preferred Reporting Items for Systematic reviews and Meta-Analyses methodology to visualize the flow of the study selection process, 20 studies published between 2015 and 2025 were included. Effect sizes were compared across the included studies, where reported. The results show that VR exposure therapy, VR one session treatment, gamified and interactive VR interventions significantly contributed to a reduction of anxiety symptoms among youth with an anxiety disorder in most of the included studies. The reported effect sizes were generally medium to large. Finally, the research question is answered and the findings of this systematic review are discussed in relation to other studies. The limitations of the current study are addressed, followed by recommendations for future research. Implications for practice are provided and a conclusion is drawn.</description>
    </item>
    <item>
      <title>Descriptieve vriendennormen en intrinsieke motivatie fysieke activiteit: Modererende rol behoefte erbij te horen jonge adolescenten</title>
      <link>https://thesis.eur.nl/pub/78105/</link>
      <pubDate>Sun, 06 Jul 2025 00:00:01 GMT</pubDate>
      <description>&lt;div&gt;Leijten, R.P.J.M.&lt;/div&gt;
Samenvatting&#13;
Fysieke activiteit speelt een belangrijke rol voor de volksgezondheid in het voorkomen van gezondheidsproblemen veroorzaakt door overgewicht en obesitas. Sociale invloeden lijken een rol te spelen in het motiveren van jonge adolescenten voor fysieke activiteit. In deze studie is onderzocht of de relatie tussen de door een jonge adolescent ervaren descriptieve normen van vrienden wat betreft fysieke activiteit (perceptie van hoe vaak vrienden bewegen) en de mate van intrinsieke motivatie (inherente motivatie) voor fysieke activiteit gemodereerd wordt door de behoefte om erbij te horen bij jonge adolescenten van 12 tot 15 jaar. Cross-sectionele vragenlijstdata afkomstig uit fase 1 van het MyMovez Project is gebruikt om de ervaren descriptieve normen van vrienden, de behoefte om erbij te horen en intrinsieke motivatie voor fysieke activiteit te meten in een steekproef van 234 jonge adolescenten (57.3% meisje; leeftijd M =12.29, leeftijd SD =.464). Uit de resultaten van de moderatieanalyse kwam een positieve, significante directe relatie tussen descriptieve normen van vrienden en intrinsieke motivatie voor fysieke activiteit (β =.193, p =.024). Geen significante samenhang bleek bij zowel de behoefte om erbij te horen als moderator in deze relatie, als tussen de behoefte om erbij te horen en intrinsieke motivatie voor fysieke activiteit. Geconcludeerd werd dat wanneer jonge adolescenten ervaren dat hun vrienden vaker bewegen, zij een hogere mate van intrinsieke motivatie hebben om zelf te bewegen. Op basis van deze bevinding kan worden ingezet op bewegingsprogramma’s, waarin beweeggedrag van vrienden zichtbaar is, om overgewicht, obesitas en de gevolgen hiervan terug te dringen.</description>
    </item>
    <item>
      <title>An Empirical Study Into Higher Education Students’ Critical Thinking Towards AI-generated Output</title>
      <link>https://thesis.eur.nl/pub/78115/</link>
      <pubDate>Sun, 06 Jul 2025 00:00:01 GMT</pubDate>
      <description>&lt;div&gt;Oskam, L.J.&lt;/div&gt;
Previous research has revealed a decrease in newly enrolled higher education student’s critical thinking ability. In addition, studies have reported on the negative implications of artificial intelligence (AI) for students’ cognitive abilities. When comparing studies that have investigated the relationships between critical thinking, AI-usage and the intelligence domains ‘fluid and crystallised intelligence’, contradicting findings arise. These findings provoke further examination of their interplay. This study aims to bridge this gap by investigating the relationship between German higher education students’  (n = 353) intelligence domains (fluid and crystallised) and their ability to critically assess AI-generated output for their studies on its accuracy, reliability, and applicability (called AI-CT). The collected data is part of a large-scale online survey called ‘Fachkraft 2030’, in which the economic, educational, and general living situations of students and young graduates residing in Germany are asked and additional cognitive tests are conducted. Hierarchical weighted least squares regression analyses have been conducted to investigate both fluid and crystallised intelligence in relation to AI-CT. Influential factors on AI-usage – age, highest academic accomplishment, intended study purpose of GenAI LLMs, and the Big Five personality traits – have been included as control variables. The results showed that after controlling for these factors, crystallised intelligence remained significantly positively associated with AI-CT (B = .21; p &amp;lt; .001), whereas fluid intelligence was no longer significantly positively associated with AI-CT (B = .09; p = .069). The study findings contribute to the understanding of critical thinking among students and bring about implications for educational practices.</description>
    </item>
  </channel>
</rss>
