<rss version="2.0">
  <channel>
    <title>Erasmus School of Economics</title>
    <link>https://thesis.eur.nl/org/1/</link>
    <description>List of Publications</description>
    <language>en</language>
    <item>
      <title>Cost of Adjustment modellen</title>
      <link>https://thesis.eur.nl/pub/42846/</link>
      <pubDate>Wed, 01 Sep 1982 00:00:01 GMT</pubDate>
      <description>&lt;div&gt;Bosch, M.R.J. (Maurice)&lt;/div&gt;
ABSTRACT  &#13;
This thesis deals with the theoretical underpinning of the investment function that forms an essential component in all macroeconomic policy models. The so-called 'cost-of-adjustment' models are central to this substantiation. The most important conclusions are:  &#13;
&#13;
1.     Using the adjustment cost theory, not only the optimal capital stock, but also the optimal investment path can be explained. It is the expenses incurred during the purchase of the investment good that are designated as investment expenses. This expenditure can take place well after the occurrence of a deviation between the actual and the optimal capital goods stock. Clarifying the way of adjusting the amount of capital goods to the optimal capital goods stock can be done with the aid of the adjustment cost theory;  &#13;
&#13;
2.     The adjustment cost theory makes a distinction between internal and external costs. The internal adjustment costs relate to the production process and consist of planning costs, installation costs and other frictions in the growth process of the company. The external adjustment costs depend on market conditions, i.e. additional costs or benefits, which arise if the price of the investment goods increases or decreases (no full free competition). A similar mechanism applies to financing costs;  &#13;
&#13;
3.     Convex cost functions explain delays in investment behavior and concave cost functions explain the distinction between the formation of fixed and variable production factors. For example, in a convex function it is cheaper to execute projects more slowly and in small portions than quickly, whereas with a concave function the investor just waits until the order is sufficiently large that discounts can be negotiated with the supplier of capital goods. Convex cost functions lead to a continuous investment pattern and concave functions result in discrete or shock-wise investments.  &#13;
&#13;
----------------------------------------------------------------------------&#13;
&#13;
&#13;
&#13;
UITTREKSEL  &#13;
Deze scriptie behandelt de theoretische onderbouwing van de investeringsvergelijking die in alle macro-economische beleidsmodellen een essentieel bestandsdeel vormt. In deze onderbouwing staan de zogenaamde 'cost of adjustment' modellen centraal. De belangrijkste conclusies zijn:  &#13;
&#13;
1.     Met behulp van de aanpassingskostentheorie kan niet alleen de optimale kapitaalgoederenvoorraad maar ook het optimale investeringspad ernaartoe worden verklaard. Het zijn de uitgaven die plaatsvinden tijdens de aankoop van het investeringsgoed die worden aangemerkt als investeringsuitgaven. Deze uitgaven kunnen geruime tijd na het ontstaan van een afwijking tussen de werkelijke en de optimale kapitaalgoederenvoorraad plaatsvinden. Het expliciteren van de wijze van aanpassing van de hoeveelheid kapitaalgoederen aan de optimale kapitaalgoederenvoorraad kan geschieden met behulp van de aanpassingskostentheorie;  &#13;
&#13;
2.     De aanpassingskostentheorie maakt een onderscheid tussen interne en externe kosten. De interne aanpassingskosten hebben betrekking op het productieproces en bestaan uit planningskosten, installatiekosten en andere fricties in het groeiproces van het bedrijf. De externe aanpassingskosten zijn afhankelijk van marktomstandigheden, d.w.z. extra kosten of voordelen, die ontstaan indien de prijs van de investeringsgoederen toe- of afneemt (geen volledig vrije mededinging). Voor financieringskosten geldt een soortgelijk mechanisme;  &#13;
&#13;
3.     Convexe kostenfuncties verklaren vertragingen in investeringsgedrag en concave kostenfuncties verklaren het onderscheid tussen c.q. het ontstaan van vaste en variabele productiefactoren. Zo is het bij een convexe functie goedkoper om projecten langzamer en in kleine porties uit te voeren dan snel, terwijl bij een concave functie de investeerder juist wacht tot de order voldoende groot is opdat er kortingen bij de leverancier van kapitaalgoederen bedongen kan worden. Convexe kostenfuncties leiden tot een continue investeringspatroon en concave functies resulteren in discrete of schoksgewijze investeringen.</description>
    </item>
    <item>
      <title>Onderzoek naar de mogelijkheden om bouw- en woningtoezicht te privatiseren</title>
      <link>https://thesis.eur.nl/pub/75845/</link>
      <pubDate>Mon, 03 Jul 2000 00:00:01 GMT</pubDate>
      <description>&lt;div&gt;Nieman, H.M.&lt;/div&gt;
Het onderzoek is gericht op drie onderwerpen, namelijk de kosten van het huidige &#13;
bouwtoezicht, de kwaliteit van de door het Bouw – en Woningtoezicht geleverde diensten en &#13;
alternatieve organisatievormen.&#13;
Voor dit onderzoek zijn drie onderzoeken gebruikt, het in opdracht van het dagblad Cobouw &#13;
uitgevoerde NIPO onderzoek (2000), het inspectieonderzoek 1999 uitgevoerd in opdracht &#13;
van de inspectie Volkshuisvesting van VROM en het zogenaamde cliëntenonderzoek &#13;
uitgevoerd door de auteur van deze scriptie. In het NIPO onderzoek is uitgezocht wat de &#13;
tijdsbestedingen zijn van het huidige bouwtoezicht. Voor projecten tot 1 miljoen is de &#13;
gemiddelde tijdsbesteding voor plantoetsing en uitvoeringscontrole 15 uur, voor projecten &#13;
tussen de 1 en 5 miljoen is dat gemiddeld 35 uur en voor projecten boven de 5 miljoen &#13;
gemiddeld 50 uur. De leges wordt berekend op basis van een percentage van de bouwsom. &#13;
Dit percentage varieert in Nederland tussen de 1% en 2,5%. Voor het in dit onderzoek &#13;
gebruikte rekenvoorbeeld (een project van 5 miljoen) variëren de legeskosten dan tussen &#13;
ƒ 50.000,00 en ƒ 125.000,00. Een privaatbureau rekent voor de plantoetsing en de &#13;
uitvoeringscontrole een bedrag van ruim ƒ 18.000,00 (13% tot 35% van de legeskosten). De &#13;
kwaliteit van de door BWT uitgevoerde werkzaamheden is onvoldoende. De dossiervorming &#13;
bij BWT is gebrekkig, daardoor is de procedure niet transparant.&#13;
Vervolgens is nagegaan wat de mogelijkheden zijn om een deel van de werkzaamheden van &#13;
BWT te privatiseren. Naar de mening van de auteur van deze scriptie is verstandig alleen de &#13;
technische toetsen te privatiseren. Vergunningverlening, coördinatie met andere regelgeving, &#13;
informatieverstrekking naar de burgers, handhaving kwaliteit bestaande voorraad zijn &#13;
onderdelen die bij het publieke domein behoren. Deze taken beslaan nu overigens een &#13;
beperkt deel van de bestede tijd (ca. 25%). De wijze waarop het bouwtoezicht in de ons &#13;
omringende landen is ingericht, heeft ideeën opgeleverd voor een aantal alternatieve &#13;
organisatievormen. In het buitenland zijn er diverse vormen van bouwtoezicht ontwikkeld, &#13;
deze verschillen zijn vooral afhankelijk van de opzet van de wetgeving. In Scandinavië &#13;
(Zweden, Noorwegen) ligt het accent sterk op zelfcontrole, in andere landen (Frankrijk, &#13;
Engeland, Duitsland) worden meer gespecialiseerde controlebureaus ingeschakeld.&#13;
Er zijn een drietal privatiseringsopties uitgewerkt. Optie 1 is het laten uitvoeren van de &#13;
technische plantoets en de uitvoeringscontrole door een gecertificeerd gespecialiseerd &#13;
bureau. Optie 2 is het meer honoreren van zelfcontrole (op basis van &#13;
kwaliteitszorgsystemen). Als optie 3 zijn een aantal tussenvormen uitgewerkt. Er zal een &#13;
zorgvuldig implementatietraject opgezet moeten worden om deze nieuwe vormen van &#13;
bouwtoezicht succesvol te laten zijn. Bij dit implementatietraject hoort ook veel aandacht &#13;
voor opleidingen. Er zal geïnvesteerd moeten worden in een kennisinfrastructuur.&#13;
De conclusie van dit onderzoek is dat privatiseren van de plantoetsing en de &#13;
uitvoeringscontrole het bouwproces zal stroomlijnen, de bouwkwaliteit zal verhogen, dat &#13;
beleidsdoelstellingen sneller en beter gerealiseerd zullen worden en dat de transactiekosten &#13;
lager zullen zijn.</description>
    </item>
    <item>
      <title>The effect of working hours on subjective well being</title>
      <link>https://thesis.eur.nl/pub/9840/</link>
      <pubDate>Wed, 01 Aug 2001 00:00:01 GMT</pubDate>
      <description>&lt;div&gt;Tonies, W.&lt;/div&gt;
</description>
    </item>
    <item>
      <title>Theoretisch en Emprisch Onderzoek naar Gentrification</title>
      <link>https://thesis.eur.nl/pub/4501/</link>
      <pubDate>Thu, 22 Jan 2004 00:00:01 GMT</pubDate>
      <description>&lt;div&gt;Hoefnagels, C.&lt;/div&gt;
Deze scriptie werpt een kritische blik op gentrification. Bij dit stedelijke proces ondergaan lage status gebieden zoals&#13;
arbeiderswijken, in verval geraakte middenklasse woonwijken of voormalige industriegebieden, positieve ontwikkelingen op fysiek,&#13;
sociaal en economisch vlak welke gepaard gaan met de instroom van nieuwe bewoners. Ondanks dat gentrification al 40 jaar lang het&#13;
onderwerp van onderzoek vormt, stelt deze scriptie dat zij vaak nog steeds niet in overeenstemming met haar procesmatige karakter&#13;
wordt onderzocht. Uit een uitgebreid literatuur onderzoek naar de identiteit van dit verschijnsel en de wijze waarop zij gelokaliseerd&#13;
wordt in empirisch onderzoek blijkt, dat latere fasen waarbij al tekenen van de eindsituatie in beeld zijn, nog steeds de boventoon&#13;
voeren. De verzameling van beschrijvingen en analyses die in de afgelopen decennia van gentrification zijn gemaakt, tonen dat dit een&#13;
proces is waarbij stapsgewijs verbeteringen in een wijk aangebracht worden en vele processen samen de wijk uiteindelijk een versterkte&#13;
sociaal-economische basis brengen. Hier zijn vele groepen bij betrokken die zeker niet allemaal nog bij deze eindfase aanwezig zullen&#13;
zijn in de wijk.&#13;
Dit theoretisch onderzoek wordt opgevolgd door een empirisch onderzoek in de stad Antwerpen, België. Hier wordt het bestaan van&#13;
een verbindend liggingpatroon ten opzichte van het centrum tussen alle locaties van gentrification onderzocht. Dit zou een gedeeltelijk&#13;
antwoord kunnen geven op de vraag waarom dit proces in de ene wijk wel plaatsvindt en in de andere niet. Bij het lokaliseren van&#13;
gentrification staat het procesmatige karakter van dit verschijnsel centraal. Onverwachts bleek niet de positie die de wijken vandaag de&#13;
dag in de stad innemen de verbindende factor tussen hen te zijn, maar de rol die hun ligging vroeger heeft gespeeld. Bij alle vijf de&#13;
wijken zijn elementen van vroegere havenactiviteiten teruggevonden, variërend van de aanwezigheid van industriële elementen zoals&#13;
pakhuizen en opslagplaatsen tot een vroegere woonfunctie voor havenarbeiders en natiebazen.&#13;
Het lijkt tijd om de betrokkenheid van ligging bij gentrification vanuit een ander perspectief te bekijken waarbij we ons niet langer&#13;
alleen richten op liggingkenmerken die wij vandaag de dag als belangrijk beschouwen, maar ook in rekening nemen dat de positie die de&#13;
wijk vroeger in de stad innam ten opzichte van voor die tijd belangrijke elementen, nu nog gevolgen kan hebben voor de ontwikkeling van&#13;
een wijk.</description>
    </item>
    <item>
      <title>Onderwijs- en Arbeidsmarkt in Japan, Korea en Maleisië</title>
      <link>https://thesis.eur.nl/pub/4503/</link>
      <pubDate>Mon, 01 Mar 2004 00:00:01 GMT</pubDate>
      <description>&lt;div&gt;Geest, C.S.M. van der&lt;/div&gt;
Het economisch succes van een aantal oost Aziatische staten (Japan, Zuid-Korea, Singapore, Taiwan,&#13;
Hongkong, Indonesië, Maleisië en Thailand) in de periode van 1960 – 1990 heeft de wereld verbaasd&#13;
doen staan. Met een jaarlijks gemiddeld inkomens groeicijfer van 5,5 % laten zij de economieën van&#13;
andere ontwikkelingslanden ver achter zich. Er wordt dan ook gesproken over een Aziatisch wonder.&#13;
In dit hoofdstuk worden de volgende vragen behandeld. Welke zijn de voornaamste oorzaken van dit&#13;
Aziatisch wonder? Waardoor wordt dit economisch ontwikkelingstraject gekenschetst? In de literatuur&#13;
bestaat er een sterke communis opinio dat een snelle toename in fysiek en menselijk kapitaal, gepaard&#13;
gaande met een overheid die systematisch via allerlei kanalen begeleidt en eventueel intervenieert de&#13;
onderliggende reden van deze opmerkelijke ontwikkeling is. Japan, Korea en Maleisië zijn&#13;
voorbeelden uit opeenvolgende fases van economische ontwikkeling waarbij Japan voorop loopt en&#13;
Korea en Maleisië Japan respectievelijk volgen.</description>
    </item>
    <item>
      <title>Earnings Management: Accounting Policy Choices before Going Public</title>
      <link>https://thesis.eur.nl/pub/4009/</link>
      <pubDate>Sat, 01 Jan 2005 00:00:01 GMT</pubDate>
      <description>&lt;div&gt;Elwakiel, H.&lt;/div&gt;
Companies that go public do not have market determined prices for&#13;
those shares. There is high information asymmetry between the management of a&#13;
company and the potential investors. These companies have to publish prospectuses&#13;
that contain historical financial statements. With this information the final offering price&#13;
is determined by the underwriter and preliminary response from investors. However&#13;
through the high information asymmetry management has the possibility to manage the&#13;
earnings in the historical financial statements. This can be done by choosing accounting&#13;
policies that positively affect the income in the financial statements.&#13;
Therefore a research is done among 33 Dutch companies that went public in the period&#13;
from 1997 to 2004. This research examines if companies use accounting policies&#13;
aggressively before going public. For the research a model is developed to objectively&#13;
categorize each of the accounting policies. After gathering and analysing the data the&#13;
research discovered that almost 76 percent of the companies used income-increasing&#13;
accounting policies before going public. Next to this high percentage other indicators&#13;
indicate that there is a positive association between the aggressive use of accounting&#13;
policies and going public.</description>
    </item>
    <item>
      <title>Winkels in de Zuidas</title>
      <link>https://thesis.eur.nl/pub/10464/</link>
      <pubDate>Sat, 01 Jan 2005 00:00:01 GMT</pubDate>
      <description>&lt;div&gt;Hoevenaar, M.&lt;/div&gt;
Amsterdam is een internationale stedelijke toplocatie aan het ontwikkelen: de Zuidas. In&#13;
deze scriptie is door middel van literatuur en casestudie onderzocht welke winkels de beste&#13;
keuze zullen zijn om de Zuidas minstens zo aantrekkelijk te maken als de internationale&#13;
concurrentie1. In de literatuurstudie is de reeds aanwezige kennis over winkels en&#13;
internationale stedelijke toplocaties geïnventariseerd en in een theoretisch kader geplaatst.&#13;
Vervolgens is er een analytisch kader geformuleerd ten behoeve van de casestudie. In de&#13;
casestudie zijn de winkels er op twee reeds bestaande internationale stedelijke toplocaties:&#13;
Docklands, Londen en Potsdamer Platz, Berlijn onderzocht.</description>
    </item>
    <item>
      <title>Leisure in het gebiedsontwikkelingsproces</title>
      <link>https://thesis.eur.nl/pub/10459/</link>
      <pubDate>Sat, 01 Jan 2005 00:00:01 GMT</pubDate>
      <description>&lt;div&gt;Barendse, F.&lt;/div&gt;
Regelmatig worden in Nederland projecten aangekondigd waarbij ‘leisure’ een belangrijk onderdeel vormt van het plan. Vaak komen deze projecten niet of moeizaam van de grond. Leisure heeft dan ook een aantal bijzondere eigenschappen. Zo is het succes van leisure is in sterke mate afhankelijk van de exploitant, is leisure erg marktgevoelig en het vereist bovendien veelal specifiek onroerend goed. Dat zijn eigenschappen die moeilijk in te passen zijn in een gebiedsontwikkelingsproces. Centrale probleemstelling voor dit onderzoek is dan ook: ‘Hoe kan leisure succesvol worden geïmplementeerd in een gebiedsontwikkelingsproces’.&#13;
Onder leisure wordt in dit onderzoek verstaan: alle voorzieningen ten behoeve van de besteding van de vrijetijd, waarbij de markt verdeeld kan worden in de segmenten cultuur, sport, horeca, (fun)shopping, verblijfsaccommodaties en entertainment. Daarbij ligt het accent op commerciële leisurefuncties. Retail blijft buiten beschouwing.&#13;
Uit de theoretische beschouwing komt naar voren dat in het gebiedsontwikkelingsproces verschillende fases en verschillende vormen van samenwerking tussen publieke en private actoren kunnen worden onderscheiden. Ten aanzien van leisure blijkt dat er drie betekenissen aan kunnen worden toegedicht: als sociaal bindmiddel, als identiteitsverschaffer en als economische pijler. Dat spreekt gemeenten aan. Beleggers en projectontwikkelaars zijn over het algemeen kritisch over leisure.&#13;
Uit de theoretische beschouwing blijkt verder dat de volgende procesingrediënten zeer relevant zijn bij leisure in een gebiedsontwikkeling:&#13;
• actoren (de betrokken partijen);&#13;
• de inhoud (synergie, projectresultaat);&#13;
• middelen (grondexploitatie, vastgoedexploitatie en bedrijfsexploitatie).&#13;
Deze ingrediënten worden getoetst in de verschillende fasen van gebiedsontwikkeling in een drietal cases. De geselecteerde cases zijn Stadshart Almere, Willemsoord Den Helder en het centrumgebied Amsterdam Zuidoost. Benodigde informatie is verkregen op basis van secundaire data, aangevuld met interviews.</description>
    </item>
    <item>
      <title>Integrale aanpak - Wederopbouw Roombeek</title>
      <link>https://thesis.eur.nl/pub/10463/</link>
      <pubDate>Sat, 01 Jan 2005 00:00:01 GMT</pubDate>
      <description>&lt;div&gt;Groot, F. de (Francien)&lt;/div&gt;
</description>
    </item>
    <item>
      <title>Kennisinstellingen als motor voor waardevolle herstructurering</title>
      <link>https://thesis.eur.nl/pub/10475/</link>
      <pubDate>Mon, 01 Aug 2005 00:00:01 GMT</pubDate>
      <description>&lt;div&gt;Postma, G.&lt;/div&gt;
In Nederland is huisvesting van hogere onderwijsinstellingen bij herstructureringsoperaties&#13;
geen thema. Mogelijk betekent dit dat hiermee kansen worden gemist doordat spinoffeffecten&#13;
hiervan wegvloeien naar locaties ver buiten het herstructureringsgebied zoals&#13;
onderwijscampussen. Dit resulteert mogelijk in een meer uniforme wijk of een verarming van&#13;
bestaand stedelijk gebied. Spin-off effecten van hogere onderwijsinstellingen hebben&#13;
namelijk veelal een belangrijke impact op de wijk door zaken zoals:&#13;
• Levendigheid van de buurt, vooral sociaal-cultureel;&#13;
• Variatie in woningaanbod (studentenhuisvesting/starterswoningen).&#13;
• Draagvlak voor buurtvoorzieningen als horeca, leisure, detailhandel;&#13;
• Ontstaan van nieuwe bedrijvigheid;&#13;
• Aantrekkingskracht op zgn. kennisbedrijven.&#13;
Voorgaande impliceert de evidentie van het bepalen of en, zo ja, op welke wijze huisvesting&#13;
van hogere onderwijsinstellingen gebruikt kan worden als succesvol instrument bij&#13;
herstructurering van bestaand stedelijk gebied.</description>
    </item>
    <item>
      <title>Onderliggende waarden bij gebiedsontwikkeling</title>
      <link>https://thesis.eur.nl/pub/10476/</link>
      <pubDate>Mon, 01 Aug 2005 00:00:01 GMT</pubDate>
      <description>&lt;div&gt;Quint, S.&lt;/div&gt;
In het kader van de opleiding tot Master City Developer, ook wel genoemd Masteropleiding&#13;
Stedelijke Gebiedsontwikkeling, is deze Professional Thesis geschreven.&#13;
Gebiedsontwikkeling, tegenwoordig veelal in een publiek-private samenwerking, is een&#13;
actueel onderwerp. Een actualiteit die beleidsmatig afleesbaar is. In het recente verleden is&#13;
er het Kenniscentrum PPS1 opgericht die zich mede, zeker de laatste jaren, sterk bezighoudt&#13;
met het schaalniveau van ruimtelijke ontwikkelingen waar Stedelijke Gebiedsontwikkeling&#13;
mee samenvalt. Ook in de Nota Ruimte van het ministerie van VROM aangehaalde&#13;
‘Ontwikkelingsplanologie’ heeft betrekking op juist dat schaalniveau van ruimtelijke&#13;
ontwikkeling en de manier waarop partijen samenwerken2. Vervolgens is er eind 2004 een&#13;
Adviescommissie Gebiedsontwikkeling opgericht, met als klap op de vuurpijl de benoeming&#13;
van een adviseur voor gebiedsontwikkeling. In haar tussenrapportagei, wordt in het&#13;
voorwoord treffend deze actualiteit beschreven: “Vele enthousiaste en bekwame mensen&#13;
werken in het land aan gebiedsontwikkeling. Een activiteit die in praktijk brengt wat in de&#13;
Nota Ruimte als een van de hoofdpunten van beleid is omarmd. Niet langer volstaan Rijk en&#13;
provincie met ‘toelatingsplanologie’ en definiëren ze wat niet kan. Zij ondernemen en&#13;
ontlokken op een actieve manier bijzondere ruimtelijke ontwikkelingen. En maken mogelijk&#13;
wat wél kan. Met de opkomst van de praktijk van gebiedsontwikkeling is er grote behoefte&#13;
aan kennis en inzicht in wat gebiedsontwikkeling nu precies is”.&#13;
Binnen de Stedelijke Gebieds Ontwikkeling (SGO) is de theorievorming, onderzoek en&#13;
professionalisering een relatief jong proces. Gekoppeld aan structurele veranderingen in de&#13;
maatschappij, de opkomst van de private sector c.q. een terugtrekkende overheid en de&#13;
steeds nauwere banden tussen publieke en private partijen in de complexe processen van&#13;
SGO, geeft gebiedsontwikkelaars te denken.</description>
    </item>
    <item>
      <title>Regionale gebiedsontwikkeling en verevening</title>
      <link>https://thesis.eur.nl/pub/10458/</link>
      <pubDate>Mon, 01 Aug 2005 00:00:01 GMT</pubDate>
      <description>&lt;div&gt;Ashouwer, A.J.&lt;/div&gt;
Op 17 mei 2005 heeft de Tweede Kamer de Nota Ruimte aangenomen. In deze nota wordt het&#13;
belang onderstreept van gebiedsgerichte ontwikkelingen op regionaal niveau.&#13;
Gebiedsontwikkeling op regionaal niveau (met groene, blauwe, paarse en rode functies) wordt&#13;
als belangrijk beschouwd om met name de ruimtelijke kwaliteit van plannen te vergroten.&#13;
Daarnaast bestaat de gedachte dat op regionaal niveau met kostenverhaal en verevening betere&#13;
mogelijkheden gevonden kunnen worden om groene en blauwe elementen als ook&#13;
infrastructuur te accommoderen.&#13;
In mijn onderzoek heb ik de mogelijkheden onderzocht van bovenplanse verevening en&#13;
kostenverhaal bij regionale gebiedsontwikkeling, in het bijzonder bij “rood voor groen”&#13;
projecten. Na onderzoek, vanuit theorie en praktijk, kom ik tot de conclusie dat de wet op dit&#13;
moment geen mogelijkheden biedt voor bovenplanse verevening en kostenverhaal. Slechts via&#13;
een vorm van actief grondbeleid is het mogelijk om kosten van bovenplans voorzieningen te&#13;
verevenen met een gemeentelijke danwel regionale grondexploitatie waarin rode en andere&#13;
profijtelijke bestemmingen worden gerealiseerd.&#13;
De vraag is derhalve aan de orde of er behoefte is aan een nieuw instrumentarium. Een&#13;
instrument voor bovenplans kostenverhaal en verevening waarbij ook kosten van bovenplanse&#13;
voorzieningen kunnen worden verhaald op particuliere grondexploitanten. Een dergelijke&#13;
verhaalsmogelijkheid zou mijns inziens eenvoudigweg kunnen worden meegenomen in het&#13;
nieuwe wetsvoorstel voor de Grondexploitatiewet.&#13;
Ook zou men zich kunnen afvragen of op dit moment niet andere mogelijkheden bestaan voor&#13;
bovenplanse verevening en kostenverhaal.Uit onderzoek van het Onderzoeksinstituut OTB te&#13;
Delft komt naar voren dat in de praktijk bovenplans verevenen al dikwijls voorkomt. In dit&#13;
onderzoek wordt voorts geconcludeerd dat de knelpunten ten aanzien van bovenplanse&#13;
(regionale) verevening in de praktijk tot nu toe meevallen. Alleen het risico van nietigheid bij&#13;
vrijwillige vereveningsafspraken met particuliere grondexploitanten wordt als duidelijk&#13;
knelpunt ervaren. Problemen met kostenverhaal en verevening liggen met name op het vlak&#13;
van gebrek aan samenwerking tussen partijen met belangen op de betreffende&#13;
ontwikkelingslocaties. Veel knelpunten blijken te maken te hebben met problemen met&#13;
betrekking tot het proces. De kansen voor bovenplanse verevening worden onvoldoende benut&#13;
door gebrek aan vertrouwen en gebrek aan samenwerking. Eigen onderzoek in het project&#13;
“Hart van de Heuvelrug” leidt tot dezelfde conclusies.</description>
    </item>
    <item>
      <title>Wonen op de belt</title>
      <link>https://thesis.eur.nl/pub/10460/</link>
      <pubDate>Mon, 01 Aug 2005 00:00:01 GMT</pubDate>
      <description>&lt;div&gt;Bonekamp, J.F.H.&lt;/div&gt;
Nederland telt bijna 4.000 oude stortplaatsen met een geschat totaal oppervlak van meer dan 9.000&#13;
hectare. Geconstateerd wordt dat deze aanwezigheid de ruimtelijke ontwikkeling van stad en land in&#13;
de weg lijkt te staan. Onderzoek heeft aangetoond dat het blijkt mee te vallen met de risico’s voor&#13;
volksgezondheid en milieu en dat het imago bij omwonenden vaak ten onrechte negatief is. Door het&#13;
geven van een nieuwe gebruiksfunctie die anders onbenut zou blijven liggen, wordt er elders ruimte&#13;
voor landbouw en natuur bespaard.&#13;
De doelstelling van dit onderzoek is te inventariseren op welke wijze de communicatie het beste&#13;
geoperationaliseerd kan worden teneinde bij de herontwikkeling van voormalige stortplaatsen&#13;
voldoende maatschappelijk draagvlak bij burgers te verkrijgen. Dit maatschappelijk draagvlak is een&#13;
voorwaarde om de herontwikkeling van de betreffende locaties tot stand te brengen. De doelgroep&#13;
van burgers wordt gedefinieerd als de bewoners, omwonenden en (potentiële) toekomstige bewoners&#13;
van de herontwikkelingslocatie ter plaatse van de voormalige stortplaats.</description>
    </item>
    <item>
      <title>Kansen voor een stedelijke winkelstraat</title>
      <link>https://thesis.eur.nl/pub/10462/</link>
      <pubDate>Mon, 01 Aug 2005 00:00:01 GMT</pubDate>
      <description>&lt;div&gt;Eising, W.J.&lt;/div&gt;
Verbeteringsoperaties van winkelstraten in het stedelijk gebied komen vaak moeizaam tot stand. In de straat wordt niet alleen gewinkeld, maar ook gewerkt, gewoond en verpoosd. Al deze functies stellen eisen aan de straat die niet altijd met elkaar overeenkomen. Het eigendom is verdeeld en de fysieke ruimte voor ruimtelijke verbeteringen beperkt. In deze scriptie is onderzocht op welke wijze een integrale gebiedsaanpak kan bijdragen aan de verbetering van stedelijke winkelstraten. Gezocht is naar aanknopingspunten tussen de theorievorming omtrent integrale gebiedsontwikkeling en de verbeteringsopgave van de winkelstraat.</description>
    </item>
    <item>
      <title>De identiteit van een plek</title>
      <link>https://thesis.eur.nl/pub/10467/</link>
      <pubDate>Mon, 01 Aug 2005 00:00:01 GMT</pubDate>
      <description>&lt;div&gt;Kramer, A.&lt;/div&gt;
</description>
    </item>
    <item>
      <title>Aquaplanning</title>
      <link>https://thesis.eur.nl/pub/10468/</link>
      <pubDate>Mon, 01 Aug 2005 00:00:01 GMT</pubDate>
      <description>&lt;div&gt;Lindert, A. te&lt;/div&gt;
Aanleiding voor het onderzoek zijn twee belangrijke ontwikkelingen: de stedelijke herstructurering en het&#13;
veranderde waterbeleid 21e eeuw. De naoorlogse wijken zijn onder druk komen te staan doordat de&#13;
woonvoorraad en openbare ruimte niet langer voldoen aan de huidige woon- en leefwensen, mede door een&#13;
grotere welvaart en een veranderde bevolkingssamenstelling. Het nieuwe Nederlandse waterbeleid is erop&#13;
gericht het water de ruimte te geven om problemen met wateroverlast, verdroging en een slechte&#13;
waterkwaliteit te voorkomen. Door ruimte te geven aan het water is er veel te bereiken. De waterkwaliteit&#13;
kan profiteren van maatregelen als het bufferen, vasthouden en vertraagd afvoeren van gebiedsgebonden&#13;
water. Deze maatregelen worden door de commissie Waterbeheer 21e eeuw genoemd omdat ze erg&#13;
belangrijk zijn om in de toekomst verdroging of wateroverlast te voorkomen.</description>
    </item>
    <item>
      <title>Een meer marktgerichte aanpak bij gebiedsontwikkeling</title>
      <link>https://thesis.eur.nl/pub/10469/</link>
      <pubDate>Mon, 01 Aug 2005 00:00:01 GMT</pubDate>
      <description>&lt;div&gt;Luijn, E. van&lt;/div&gt;
</description>
    </item>
    <item>
      <title>PPS onder huwelijkse voorwaarden</title>
      <link>https://thesis.eur.nl/pub/10470/</link>
      <pubDate>Mon, 01 Aug 2005 00:00:01 GMT</pubDate>
      <description>&lt;div&gt;Moerman, G.A.M.&lt;/div&gt;
Developer&#13;
aan de Erasmus Universiteit Rotterdam/ Technische Universiteit Delft&#13;
in samenwerking met het Ontwikkelingsbedrijf Rotterdam heb ik een&#13;
scriptie geschreven getiteld: ‘publiek private samenwerking bij&#13;
gebiedsontwikkeling’.&#13;
De aanleiding voor de keuze van het onderwerp ‘publiek private&#13;
samenwerking bij gebiedsontwikkeling’ is de constatering dat er vaak&#13;
gesproken wordt over het organiseren van publiek private&#13;
samenwerking wanneer er nog geen concreet plan ligt of de&#13;
meerwaarde van deze samenwerking volstrekt onduidelijk is.&#13;
Dit komt doordat publiek private samenwerking hier beschouwd wordt&#13;
als een doel bij gebiedsontwikkeling in plaats van als (hulp)middel.&#13;
De conclusie in diverse onderzoeken over publiek private&#13;
samenwerking dat er geen standaard model is voor deze&#13;
samenwerking. [Teisman]&#13;
Binnen de gekozen samenwerking ligt de nadruk vaak op de&#13;
individuele doelstellingen van de deelnemende partijen, waarbij de&#13;
meerwaarde van de samenwerking voor het gebied uit het oog&#13;
verloren wordt. Hierdoor wordt de gemeenschappelijke doelstelling&#13;
van samenwerkende partijen niet behaald. Er is in dit geval geen&#13;
sprake meer van meerwaarde.</description>
    </item>
    <item>
      <title>Stationsontwikkeling op de lange Bahn</title>
      <link>https://thesis.eur.nl/pub/10472/</link>
      <pubDate>Mon, 01 Aug 2005 00:00:01 GMT</pubDate>
      <description>&lt;div&gt;Nizet, L.&lt;/div&gt;
</description>
    </item>
    <item>
      <title>Geluk in gebiedsontwikkeling</title>
      <link>https://thesis.eur.nl/pub/10474/</link>
      <pubDate>Mon, 01 Aug 2005 00:00:01 GMT</pubDate>
      <description>&lt;div&gt;Peters, B.G.&lt;/div&gt;
</description>
    </item>
  </channel>
</rss>
