Levinas’ filosofie van de ander draait om de ander die wij niet kunnen kennen en voor wie we een oneindige verantwoordelijkheid dragen. Derrida gebruikt de notie vreemdeling voor hen die vanuit het vreemde tot ons komen. Voor zowel Levinas als Derrida hebben de ander en de vreemdeling een fenomenologische betekenis. In het Nederlands recht wordt de term vreemdeling gebruikt voor iemand die niet de Nederlandse nationaliteit bezit. Iemand kan tegelijkertijd fenomenologisch ander en juridisch vreemdeling zijn en op die manier dubbel vanuit het vreemde op ons toekomen. In deze thesis wordt onderzocht hoe de verantwoordelijkheid voor de ander zich verhoudt tot de filosofie (van het recht) van Emmanuel Levinas en Jacques Derrida. Hierbij zal een driesprong gemaakt worden van Levinas filosofie van de ander, naar Derrida’s kritiek hierop en Derrida’s filosofie over de vreemdeling en gastvrijheid, naar een rechtsfilosofische verkenning van de ander als vreemdeling en hoe rechtvaardigheid jegens hem vorm krijgt in het (vreemdelingen)recht. Hierbij zal eveneens geput worden uit het gedachtegoed van Immanuel Kant, Hannah Arendt en Femke Halsema.