Sinds een aantal jaar is het gebruik van revolverende fondsen als financieel beleidsinstrument sterk in opkomst. Deze fondsen kennen een aantal belangrijke voordelen ten opzichte van de klassieke overheidssubsidie, zo is de potentiƫle impact groter doordat het geld in theorie meerdere keren kan worden uitgezet. Een van de voornaamste nadelen is dat het ministerie een deel van de controle over het verstrekken van investeringen opoffert omdat het vermogen wordt ondergebracht bij een fondsbeheerder. De publieke middelen die in het fonds zijn ondergebracht staan op deze manier op afstand van het ministerie, hetgeen het belang van democratische controle en accountability onderschrijft. Om de relatie tussen het ministerie en de fondsbeheerder te analyseren wordt in dit onderzoek gebruik gemaakt van de principaal-agenttheorie. Deze theorie verondersteld dat er sprake is van een informatieasymmetrie en een belangenconflict tussen de principaal en de agent en dat dit ertoe leidt dat dat de agent zich mogelijk niet optimaal zal inspannen om de belangen van de principaal na te streven, ofwel dat hij opportunistisch gedrag vertoont. De principaal kan gebruikmaken van controlemechanismen om het gedrag van de agent te controleren en nader aan te sturen, waarmee het risico op opportunistisch gedrag wordt gereduceerd. Toegepast op de relatie tussen het ministerie en de fondsbeheerder resulteert dit in de volgende onderzoeksvraag: Wat is de invloed van het gebruik van controlemechanismen door het ministerie op het reduceren van opportunistisch gedrag bij de fondsbeheerder van een revolverend fonds van het Rijk? Om deze vraag te beantwoorden is gebruik gemaakt van een meervoudige casestudy, waarin naar een viertal revolverende fondsen is gekeken, te weten het Dutch Good Growth Fund, het Fonds Duurzaam Funderingsherstel, het Innovatiekrediet en de Vroegefasefinanciering. Aan de hand van interviews met betrokken medewerkers van zowel het ministerie als de fondsbeheerder, in combinatie met een analyse van bestaand materiaal is de werking van de controlemechanismen zo nauwkeurig mogelijk onderzocht. Uit de resultaten komt naar voren dat de het gebruik van controlemechanismen door het ministerie een belangrijk middel vormt voor het op voorhand aansturen en achteraf controleren van het gedrag van de fondsbeheerder. Hoewel het lastig is om ten aanzien van specifieke gevallen vast te stellen dat het gebruik van controlemechanismen heeft bijgedragen aan het 3 reduceren van opportunistisch gedrag, is wel aangetoond dat het gebruik van controlemechanismen over het geheel het risico op opportunistisch gedrag reduceert. Het feit de veronderstelde causale relatie tussen gebruik van controlemechanismen en opportunistisch gedrag niet kan worden hard gemaakt vormt de voornaamste beperking van dit onderzoek. Om dit probleem te adresseren zijn tot slot enkele aanbevelingen opgesteld met betrekking tot mogelijk vervolgonderzoek. Ook worden er enkele aanbevelingen gegeven die betrekking hebben op de relatie tussen het ministerie en de fondsbeheerder en de verdere ontwikkeling van revolverende fondsen in de praktijk.

Additional Metadata
Thesis Advisor Dr. S. Keulen, Dr. P.K. Marks
Persistent URL hdl.handle.net/2105/51042
Series Public Administration
Citation
Priem, Leon. (2019, October 11). De Risico's van Revolverende Fondsen. Public Administration. Retrieved from http://hdl.handle.net/2105/51042