De openbare ruimte vormt het vrij toegankelijke deel van de gebouwde omgeving en speelt een essentiële rol in het dagelijks leven van inwoners en bezoekers. Het veelgebruikte paradigma van een 'Schoon, Heel en Veilig' ingerichte leefomgeving is voor lange tijd richtinggevend geweest voor het gemeentelijk beheer. Hoewel dit principe bijdraagt aan positief gedrag en sociale cohesie, volstaat het niet langer in een samenleving die geconfronteerd wordt met complexe, multidimensionale opgaven. Het beheer van de openbare ruimte ontwikkelt zich dan ook richting een meer strategische, integrale en adaptieve benadering. Deze thesis onderzoekt hoe Nederlandse gemeenten deze ontwikkeling vorm kunnen geven. Tegelijkertijd wordt in kaart gebracht welke kennis en competenties hiervoor binnen beheerorganisaties nodig zijn. Vanuit een historisch perspectief blijkt dat de openbare ruimte altijd een politiek en maatschappelijk geladen domein is geweest. In Nederland krijgt de overheid vanaf de grondwetswijzigingen van 1850 een leidende rol in het beheren van deze ruimte. Sindsdien is het belang van een gezonde, leefbare woonomgeving steeds prominenter geworden. Vanaf de jaren tachtig groeit de aandacht voor kwaliteit, identiteit en sociale functie van binnenstedelijke openbare ruimten. De openbare ruimte laat zich niet alleen technisch definiëren, maar kent ook een sterke sociale dimensie. Zij draagt bij aan gezondheid, biodiversiteit, sociale cohesie en inclusie. De kwaliteiten van de openbare ruimte worden bepaald door eigendom, toegankelijkheid en gebruik. Effectief beheer vraagt om een benadering waarin deze aspecten in samenhang worden beschouwd. Verschillende modellen bieden handvatten voor het organiseren van de beheeropgave. Het POU-model (Park-Organisatie-Gebruiker), het model van Carmona et al. en het Assetmanagementmodel bieden elk waardevolle inzichten, maar de complexiteit van de opgave vraagt om een slimme combinatie van deze benaderingen. Zo kan bijvoorbeeld het relationele karakter van het POU-model worden gecombineerd met de coördinerende kracht van Carmona’s model en de strategische diepgang van assetmanagement. Aanvullende perspectieven zoals die van Kevin Lynch en Jan Gehl verrijken het denken over de inrichting en het beheer van de openbare ruimte. Lynch benadrukt veerkracht en rechtvaardigheid, Gehl richt zich op de menselijke maat en sociale interactie. In combinatie met de basisvoorwaarde van Schoon, Heel en Veilig ontstaat een breed palet aan waarden dat richting geeft aan toekomstbestendig beheer. Beheer onderscheidt zich van onderhoud door haar bredere scope: beleidsvorming, programmasturing en afstemming tussen actoren. In de praktijk wordt beheer echter vaak versnipperd door uitbesteding aan verschillende partijen, wat de samenhang en contextgevoeligheid onder druk zet. Tegelijkertijd groeit het inzicht dat goed beheer bijdraagt aan stedelijke kwaliteiten zoals leefbaarheid, gezondheid en mobiliteit. De kwaliteit van de openbare ruimte staat in directe relatie tot het gebruik. Een aantrekkelijke ruimte bevordert verblijf, ontmoeting en activiteit, en daarmee ook de sociale dynamiek. Effectief beheer vraagt daarom om inzicht in zowel fysieke als sociaaleconomische contexten. Drie dimensies vormen hierin het fundament: de intrinsieke kwaliteiten van de ruimte, de context waarin deze functioneert, en de samenstellende onderdelen.

, , , , , ,
hdl.handle.net/2105/76416
Erasmus School of Economics

Schouls, C. (Cees). (2025, August 31). De omgeving van de mens is de medemens. Retrieved from http://hdl.handle.net/2105/76416